|
|
|
Heel lang geleden woonden hier op een prachtig kasteel zes koningszonen. Ze waren zo ijdel, dat ze aan de machtige tovenaar een klok besteld hadden, met zes ridders te paard, zodat iedereen die de klok zag, aan hen zou denken. Bovendien mocht de klok pas gaan lopen en de bel gaan klinken, zodra de koningszonen op hun trompet bliezen. Ze hadden de tovenaar beloofd hem daar drie zakken goud voor te geven. Maar toen de klok klaar was en ze bij hem kwamen om de klok te halen, hadden ze zoveel geld uitgegeven aan mooie kleren en lekker eten, dat ze nog maar één zak goud over hadden, en 'm dus niet konden betalen. De tovenaar werd vreselijk boos. "Als jullie niet genoeg geld hebben, dan hadden jullie ook niet zo'n dure klok mogen bestellen," zei hij. 'Maak nu maar gauw dat jullie wegkomen. Ik verkoop die klok we-we-wel aan iemand anders" En toen zette hij hen buiten de deur. Nu had Slimme Toontje, het knechtje van de tovenaar, achter de deur staan luisteren en zodoende alles gehoord. Aan deuren luisteren is een lelijk iets, maar Slimme Toontje had nog meer slechte eigenschappen. Hij kon liegen als de beste en was nog oneerlijk ook. Hij was alleen maar bij de tovenaar in dienst gekomen om stiekem achter alle geheimen te komen, in de hoop daar veel geld mee te kunnen verdienen. En hij verzon dan ook een heel boos plan. De volgende dag zei de tovenaar tegen Slimme Toon: "Toon, Toon, ik moet op reis. Ik ga proberen of ik niet iemand kan vinden, eh, die de Magische klok wil kopen. Hier is de sleutel van m'n kamer; pas goed op dat 'r niemand binnenkomt." "Hèhè, niet zolang ik er ben," zei Slimme Toon en hij wuifde de tovenaar na tot die achter een heuvel verdwenen was.
Toen
rende Slimme Toon de trappen af en liep op een holletje het donkere bos
door, naar het kasteel, waar hij zich bij de koningszonen liet aandienen.
"Wat kom jij hier doen?" vroeg de oudste koningszoon. "Ik-ik-ik-ik ben
de knecht van de tovenaar," zei Slimme Toon, "en ik kom jullie vertellen
hoe je voor één zak goud de Magische Klok kunt krijgen. Als
jullie mij die zak goud geven, dan zal ik de deur van de kamer van de tovenaar
opendoen. Dan kunnen jullie de klok, nou, gewoon meenemen." "Hoera!" riepen
de zes koningszonen. En toen ze hoorden dat de tovenaar op reis was, nam
één van hen Slimme Toon voor zich op z'n paard, en reden
met z'n allen in galop naar de toren van de tovenaar. De koningszonen pakten
daar de gouden wijzers, de wijzerplaat, de zes ruitertjes en de bel op
hun paarden en reden terug naar het kasteel. Slimme Toon begon hard te
werken. Hij metselde de wijzerplaat in het torentje van het kasteelplein.
Daarboven kwamen de ruitertjes. En helemaal op het dak van de toren maakte
hij de bel. De koningszonen keken hun ogen uit. Oh, wat een mooie klok
was dat. En ze hadden veel plezier dat ze die goeie tovenaar zó
lelijk bij de neus hadden genomen. Toen de klok klaar was, gingen de koningszonen
hun trompetten halen. "Blaas maar", zei Slimme Toon, "dan zul je eens wat
zien." Dat deden ze. En ja hoor, de wijzers van de klok begonnen te draaien,
de ruitertjes begonnen te rijden en de bel... Mis. De bel begon niet te
luiden. Hoe ze ook bliezen, de bel deed het niet. De koningszonen werden
vreselijk boos op Slimme Toon. Want de bel, ja, de bel vonden ze het mooiste
van de hele klok. Maar... Slimme Toon had het al gezien: "Hèhè,
eh, eh, we zijn de klepel vergeten," zei hij, "die ligt zeker nog in de
kamer van de tovenaar. Uh, ik zal 'm wel even halen."
De tovenaar was intussen de hele dag op stap geweest om de klok te verkopen. Maar hij had niemand kunnen vinden die zomaar drie zakken goud kon betalen. En hij was zó moe geworden van al dat geloop, dat 'ie met z'n rug tegen een boom was gaan zitten om wat uit te rusten. Plotseling zag 'ie in de verte een klein kereltje aankomen. "Wat vreemd," zei de tovenaar tegen zichzelf. "Dat lijkt Slimme Toon wel. Ik dacht dat 'ie op de klok zou passen, e-en nou loopt 'ie hier, door het bos?" Hij verstopte zich achter de boom, en ja hoor, daar kwam Slimme Toon voorbij, met de klepel op z'n rug. De tovenaar begreep er niets van, maar hij dacht wel dat er iets niet pluis was. En toen hij zag dat Slimme Toon de weg naar het kasteel insloeg, besloot 'ie hem ongezien te volgen. *)
De zes koningszonen stonden
al vol ongeduld te wachten, en ze hielpen Slimme Toon om op het torentje
te klimmen. Daar hing hij de klepel in de bel, en toen riep 'ie naar beneden:
"Blaast u nog eens. Nu zal het wel beter gaan." De zes koningszonen hieven
hun trompetten naar hun mond en bliezen. De ruitertjes begonnen te rijden,
en de bel begon te luiden. Maar wie kwam daar door de poort? De tovenaar.
Hij begreep ineens alles en werd wit van boosheid. "Lelijke dieven die
jullie zijn" riep 'ie tegen de koningszonen, "die mooie klok te stelen,
waar ik drie jaar aan gewerkt heb. Wacht maar eens, ik zal jullie leren."
En hij prevelde de sterkste toverspreuk die die kende. Plotseling konden
de koningszonen zich niet meer bewegen. Ze moesten stokstijf blijven staan,
met de trompet aan hun mond. "Ieder kwartier zullen jullie moeten blazen,"
zei de tovenaar, "en als de ruitertjes dan gaan rijden, dan kunnen de mensen
zien hoe jullie vroeger vrij en blij te paard door de velden reden, en
hoe jullie nu voor straf in stenen beelden veranderd zijn." Slimme Toon
probeerde zich nog te verstoppen achter de bel, maar de tovenaar had 'm
al gezien. "En jij, Slimme Toon, jij zult voor altijd op het dak van de
toren moeten blijven zitten en de bel luiden. Dan kunnen de mensen horen
waar ze moeten komen kijken om een oneerlijke knecht te zien." En, zoals
de tovenaar zei, zo gebeurde het. En zo is het nu nog. Ieder kwartier blazen
de koningszonen op hun trompetten en ieder kwartier luidt Slimme Toon de
bel. Maar hij is niet zó slim dat 'ie van de toren afkan. Misschien
dat ooit de toverspreuk z'n kracht verliest en ze allen weer levend worden,
dat de koningszonen weer vrij en wrang door de velden kunnen rijden, en
dat Slimme Toon een eerlijke knecht wordt... wie weet, gebeurt dat nog
'ns. Want ja..., in sprookjes is alles mogelijk.
*) : Het cursief geschreven gedeelte staat wel op de Efteling CD, maar wordt in de Efteling zelf niet meer gebruikt. Dit heeft men waarschijnlijk gedaan omdat zo ieder kwartier het verhaal tweemaal tot gehore kan brengen.
bron: Efteling CD 2 & eigen waarneming
Heel lang geleden woonde in een ver land een beeldschone prinses. Ze was zo mooi en lief dat vele prinsen haar hand waren komen vragen. Maar, haar stiefmoeder was een boze koningin, die erg gierig was en steeds maar rijker wilde worden. Daarom moest iedere prins, voor zij de toestemming tot een huwelijk wilde geven, eerst iets hèèl moeilijks doen. En als 'ie dat niet kon, dan hakte de beul z'n hoofd eraf, en dan nam de boze koningin al het land van de dode prins in haar bezit.
Daar er al veel prinsen waren geweest die met de prinses wilden trouwen, maar dat hele, hele moeilijke iets niet konden volbrengen, was de boze koningin zeer rijk geworden. Op zekere dag echter meldde zich weer een prins aan bij de koningin. En omdat 'ie veel slimmer was dan zijn voorgangers, had 'ie onderweg zes dienaren gehuurd, die ieder over een zeer bijzondere eigenschap beschikten. De eerste, Putoor geheten, had zúlke grote oren dat 'ie alles kon horen wat er op de wereld gebeurde. Springkuit, de tweede knecht, had zúlke lange benen, dat 'ie in een half uur van China tot hier kon lopen. De derde had zó'n grote buik, dat je meer dan lange ladders nodig had, om erover heen te kunnen kijken. Zijn naam was dan ook Heuvelbuik. De vierde, Kogeloog geheten, moest steeds geblinddoekt zijn, want z'n ogen waren zo sterk dat alles stuk sprong waar 'ie naar keek. De vijfde was een wonderlijke kerel. Die, hoe warmer het werd, hoe kouder hij zich voelde. Hij heette dan ook Koukleum. En de zesde, die kon z'n nek zó lang uitrekken dat 'ie alles kon zien wat er op de wereld gebeurde. Daarom was zijn naam Langnek.
Wat
was die valse koningin vriendelijk, toen er wéér een prins
om de hand van de prinses kwam vragen. "Natuurlijk," zei ze, "natuurlijk
mag jij met de prinses trouwen. Maar, dan moet je zorgen dat ze binnen
een kwartier hier voor me staat." Nu, dat leek de prins niet zo heel moeilijk.
Maar toen Langnek z'n hals een flink had uitgerekt en Putoor z'n oor tegen
de grond hield, om de luisteren, bleek het dat de prinses helemaal aan
het andere eind van het koninkrijk zat, en huilde. De prins werd toen erg
verdrietig, want hij dacht: "Ach, dat lukt me nooit, om de prinses in een
kwartier hierheen te halen." Maar, hij had niet op Springkuit gerekend.
Die zette de prins vlug op z'n rug, nam onder z'n ene arm Kogeloog en Koukleum
en onder z'n andere arm Heuvelbuik, en begon te rennen, zó hard,
dat Putoor hem na drie tellen al niet meer zien kon. Na een paar minuten
waren ze helemaal aan de andere kant van het land. Doch, een groot water
versperde hen de doortocht. Geen nood! Heuvelbuik dronk al het water op,
en weer ging het verder, tot ze aan een grote rots kwamen waar ze niet
overheen konden. Maar hier kwam Kogeloog in actie. Hij trok de blinddoek
weg van z'n ogen en BENGGG!!! De hele rots sprong uit elkaar. Even later
kwamen ze aan een geweldig vuur. Maar Koukleum hoefde maar even met z'n
koude adem te blazen, en al het vuur doofde onmiddellijk.
De prins en Springkuit renden verder, en ja hoor: daar vonden ze het prinsesje. Ze zat onder een dikke boom op het mos, en haar gezichtje was nog nat van tranen. Doch, dat veranderde gauw, toen ze begreep dat de prins haar kwam verlossen. "Nu vlug terug, Springkuit," zei de prins, "want de tijd is kort!" "Hahaha, haa, dan ik eindelijk eens flink doorlopen," riep Springkuit, hij nam de prins en het prinsesje op z'n rug en begon te rennen, zoals 'ie nog nooit gerend had. Onderweg namen ze Koukleum, Kogeloog en Heuvelbuik mee terug, en toen waren ze in een oogwenk weer bij het paleis. Daar stonden Putoor en Langnek al te wachten, met het paard van de prins aan de teugel. Wat was die valse koningin boos, toen ze zag dat de prins binnen een kwartier met de prinses terug was. Ja, maar ze moest het wel goedvinden dat ze gingen trouwen. De prins nam de prinses dan ook voor zich op z'n paard, en toen reden ze naar zijn land. Nou, jullie kunnen begrijpen wat een bruiloft daar gevierd werd. Ja, ze leefden dan ook nog lang en gelukkig samen.
Waar de knechten Heuvelbuik, Putoor, Koukleum en Springkuit nadien heengingen; niemand weet het meer. Maar Langnek, vergezeld van Kogeloog.... ja, die vertrokken naar de Efteling. Want, zo zei hij, daar kom ik nooit, en nooit uitgekeken. En zo komt het, dat Langnek nog steeds hier zit....
bron: Efteling CD 1 & eigen waarneming
Lang,
heel lang geleden, als in tijden van storm en hoog water de Maas nog reikte
tot aan de voet van deze veste, woonde in dit kasteel de vierde burggraaf
van Capelle van Kaatsheuvel. Hij verzamelde sprookjes en sagen van over
de hele wereld èn... bedreef de magie. Hij kon bloemen laten zingen
en muren laten dansen. Er was maar één plaag in zijn leven;
de boze heks Visculamia. Die leefde achter slot en grendel in het nabijgelegen
Druinen. Zij wilde hem zijn sprookjes afnemen. Op zekere kwade dag, toen
de heks zich op rooftocht vermomd had als een ongebluste jonge maagd, werd
zij betrapt door de hovenier van kasteel De Efteling. Door de drie rechters
van het hertogdom werd zij veroordeeld tot de brandstapel in de oostelijke
vleugel van het slot. Op het laatst sprak zij een verwensing uit, waarin
de burggraaf voor eeuwig werd verdoemd te zoeken naar zijn laatste sprookje...:
zijn dochter Esmeralda. En steeds als het water van de Maas weer stijgt,
slaat de betoverde kraai van Visculamia om twaalf uur de klok. Dan bengelt
weer het lijk van de tuinman die haar verraadde aan het klokkenkoord. De
rechters die haar veroordeelden weeklagen uit het zolderraam en in de catacomben
snelt de graaf zijn dochter na, zonder haar ooit te vinden... Terwijl de
bloemen zingen en de muren dansen slingert de heks haar verwensingen in
de sarcofaag waar de resten van de graaf gevangen liggen. Op de zuidheuvel
van het slotplein vindt zijn dochter geen rust. En dat zal zo nog jaren
duren. Tot de zang der bloemen de uilen hun ogen doet sluiten, de boze
kraai in slaap gesust heeft en de verwensing is verbroken....
Marie:
De Bokkerijders, addergebroed dat is 't.
Ze moeten ze uitroeien met wortel en tak, dat moeten ze.
Dulle Beer: Ja, da's zeker Marie, da's zeker.
Man 2: Ik
heb gehoord dat ze verleden nacht de stee van Arjan den Stoer hebben plat-gebrand
en alles van waarde hebben meegenomen.
Vrouw 2: Oh ja, 't is toch niet waar hè?
Marie: Addergebroed dat is 't!
Vrouw 2:
Ze zeggen dat hun ogen licht geven in den donker en dat ze zo rap zijn
dat het noodlot
u treft als den donder.
Marie:
Gezwets, dat zeg ik u. Achterbaks gepeupel dat geklaag streken en omkoperij
het gewone
volk knecht. Laat ze de landheer maar eens beroven dan komen ze van een
kouwe kermis
thuis, die heej landknechten zat om ze eens mores te leren en hem zijn
handwerk af te
leren.
De mythe verhaalt, dat dit duivelse leger van Bokkerijders hun einde vond in een gruwelijke slag, hoog in de hemelen boven de Postelse Abdij. Zestig lange jaren oefende de bende een waar schrikbewind uit, over de plattelandsbevolking. Hun satanische gildeteken, een bokkepoot, vervulde een ieder met huiver en angst.
Dulle Beer:
Vervloekt zijn die Bokkerijders, de parasieten van deze streek en 'n Hugo
in het
bijzonder.
Marie:
Het is een goddeloze doerak die 'n Hugo. Met zijn lange zwarte manen is
't een
duvel gelijk. Wanneer hij in de buurt is bent ge uw leven niet zeker.
Vrouw 2: Om maar te zwijgen over haven en goed.
Marie: Zelfs de grendels van de valdeur houden hem niet tegen.
Vrouw 2: Ach heren, wie zal ons kunnen verlossen van zulke kwelgeesten.
Dulle Beer:
Een godslasterlijke bandiet da's zeker, maar bedenk wel: "Hoogmoed komt
voor den
val"
Man 2: Dat kan wel zijn Dulle Beer, maar voorlopig trekt hìj zich daar niets van aan.
Marie:
Als jongeling deugde die al niet. Altijd tegen het gekeur in. Ge zag het
toen al
aankomen dat hij een deugniet zou worden.
Hoort hier het verhaal van Hugo, Hugo van den Loonsche Duynen, die zich bij dit gemene pak van rovers aansloot. Een man zonder enig mededogen, bezeten van een tomeloze hebzucht en gier naar geld. Hugo de Bokkerijder...
Tweede
voorshow
Dit
huis, dit vervloekte huis... Het is een hel gelijk. Die ene vervloekte
avond in de Belgische Kempen... de zon stond laag en we zochten bedden
voor de nacht, maar van dorpen was geen spoor. Maar ineens, in de verte,
een groot gebouw. De Abdij van Postel wisten wij. We brachten de paarden
in galop en toen de zon was weggezakt, kwamen we aan bij de kapel. Het
was licht achter de ramen en het was er doodstil, geen monnikenzang of
vroom geprevel. Achter de kapeldeur gouden kelken en zilveren kandelaars
voor het oprapen, ha ha ha! Met deze gedachten ramden we de deur. Geen
mens..! Op het altaar glinsterde de buit. De kaarsen waren ontstoken...
vreemd. Mijn mannen kraakten het offerblok en ikzelf leegde het altaar.
En toen, plotseling, op mijn schouder een slanke hand. Ik keek om en achter
mij stond een jonge vrouw, haar ogen vol vuur. Allen zagen haar en het
gerinkel verstomde. Ze leek te zweven in haar lange witte kleed. Even voelde
ik iets van angst en ze sprak tot mij: "Gij, Hugo van den Loonsche Duynen,
gij ontheiligt hier dit huis. Zo kom tot inkeer, en roep niet de toorn
des Heren over u af..." Maar ik, ik overwon mijn angst, hoonde haar weg
met schampere lag en stootte haar ruw terug. Ik riep de mannen op te gaan
en zag dat zij oploste in het niets...
Een
dag later bereikte ik mijn huis, ik schrok. Boven op de gevel stond...
Zij, de dame uit de kapel! Haar armen wuifden, als wiegden ze op de wind.
Ik hoorde haar stem, als zweefde die in mijn hoofd: "Nergens in uw eigen
huis, noch waar ook ter wereld, zult gij rust of vrede vinden, nu gij Gods
huis geschonden hebt... eerst dan, wanneer een edel mens met het reine
geweten van een pasgeboren kind, uw woonstede zal betreden, dan zult gij
vrede vinden, in uw huis en in uw hart..."
Die
ban, mijn gruwelijk lot, is tot op heden niet gebroken. Treed binnen met
een reine ziel, opdat de doem valt van dit huis en mijn ziel de rust verkrijgt,
waar ik zo hevig naar verlang...
bron: Efteling CD 1 & eigen waarneming
Op
een avond kwam in deze herberg de middelste zoon met 'n ezel. (...) Hij
vroeg aan de waard om onderdak voor hem en zijn ezel. "Voor jou heb ik
plaats, maar hem zet je maar buiten" gromde de waard. De broer vond dit
maar niks en hij vertelde de waard dat dit geen gewone ezel, maar een wonder
ezel was. Wanneer je riep: "Ezeltje Strek Je" dan hief het beest z'n staart
op en uit z'n achterste vielen als klinkende en tientallen goudstukken.
Toen de eigenaar van deze herberg dat zag geloofde hij zijn eigen ogen
niet en dacht: "Hè, zo'n ezeltje kan ik ook wel gebruiken." En midden
in de nacht, toen iedereen in een diepe slaap verzonken was, verruilde
de sluwe waard de wonder ezel voor een gewone ezel. Toen de oudste zoon
z'n tovertafeltje had gekregen kwam hij in deze herberg terecht en onderging
een gelijk lot. Omdat 't vuur onder de pot al gedoofd was zei de kleermakerszoon:
"Ach, ik zorg wel voor m'n eigen maal." De waard die dit zeer verdacht
vond, verliet de gelagkamer en legde zijn oor te luister tegen de deur.
Zoon:
"Waar blijft 'ie nou? Pfff,
ik zorg wel voor m'n eigen maal! Ehh, eh, wat was 't ook alweer? Euh ehm
eh Tafeltje Dekje...? Dek Je tafeltje... Tafeltje Dek Je!"
(tafel dekt zich) Ohh, Mmmm
(Waard komt eraan) Oh o!
Verteller:
Edele bezoeker, nadat de
waard dit alles gehoord en gezien had verruilde hij in de holst van de
nacht 't tovertafeltje voor een gewoon tafeltje. Toen deze zoon het geschenk
aan z'n vader wilde tonen, ontdekte ook hij 't bedrog, wat hij ook probeerde
er gebeurde niets. De jongste zoon woonde nog thuis en ging opzoek naar
deze herberg. De waard was nieuwsgierig en vroeg naar de inhoud van de
knapzak, maar... de jongste zoon zei dat die waard werd verrast door de
knuppel. Toen de jongste zoon riep: "Knuppeltje uit de zak" en de knuppel
de waard net zolang afranselde totdat hij de wonder ezel en het wondetafeltje
had terug gegeven. Toen de jongste zoon met al deze wonderbáárlijk
geschenken bij z'n vader thuiskwam was er reden voor 'n groot feest. De
oude kleermaker was nu trots op z'n zonen. En leefde nog lang en gelukkig
en... Ach, excuseert u mij, edele gast. Ik zie, u gaat de reis voortzetten.
Dank voor uw gewaardeerd verblijf. Goeie reis en, zo u wilt, tot een volgende
keer in 'Herberg de Ersteling'!!
Bovenstaande tekst is
de versie die in april en mei 1999 was te horen in 'Herberg de Ersteling'.
Daarna heeft de Efteling deze tekst sterk ingekort.
bron: eigen waarneming/opnamen
(april/mei 1999)
|
|
|