|
|
|
|
De volgende dag moest de tweede zoon hout gaan hakken. Ook hij kreeg van moederlief een lekkere koek en een fles wijn mee. Ook hij werd aangesproken door de kabouter. "Een stukje van mijn koek?" antwoordde de jongen. “En een slokje van mijn wijn? Puh! Ik zal wel gek wezen! Maak dat je wegkomt, puntmuts” De jongen zette de fles aan zijn mond dronk hem langzaam leeg. Een beetje te stoer door de wijn zwaaide hij met zijn bijl. Tjak! Per ongeluk hakte hij zó in zijn eigen been. Zijn vader, die poolshoogte kwam nemen, moest hem naar huis dragen. Toen was het de beurt aan Domoor. De arme jongen kreeg een oude krentenbol en een fles vies, zure bier mee. Toen bij druk aan het hakken was, verscheen de kabouter. Natuurlijk mocht de kabouter mee-eten! "Je hebt een goed hart", zei de kabouter, smikkelend van de oude krentenbol, “ik zal je belonen. Hak die boom maar om, je zul tje beloning daar vinden.” Tussen de wortels van de omgehakte boom vond Domoor een zwaan met gouden veren. “Ohhh....” stamelde hij. Hij nam de zwaan onder zijn arm en toog naar een herberg om te overnachten.
Nu
had de waard van de herberg drie dochters. Ze waren lelijk en onaardig,
en vooral heel hebberig. Toen ze de zwaan zagen, wilden ze maar één
ding: een gouden veer pikken. ‘s Nachts, toen Domoor sliep, sloop de oudste
dochter zijn kamer binnen. Ze greep de zwaan bij zijn staart... Maar wat
was dat? Haar hand bleef aan de veren kleven. In paniek probeerde ze zich
los te rukken. Daar kwam haar zus Maria binnen. Ook zij hoopte een gouden
veer te pakken te krijgen. “Doe iets," piepte de oudste dochter. “Ik zit
vast!” Maria nam haar zus bij de arm. Oh, help! Ook zij zat vast. Ook de
derde zus kwam binnen om een gouden veer te bemachtigen. Even later zat
ook zij vastgekleefd. De volgende morgen nam Domoor de zwaan onder z'n
arm en vertrok. Hij deed net alsof hij de meises die aan de zwaan vast
zaten, niet zag. Ze moesten dus wel achter hem aanlopen. In het dorp kwamen
ze de pastoor tegen. “Laat die jongen los, gekke meiden!” riep hij luid.
Boos greep hij het jongste meisje bij baar hand en kleefde vast! Ook de
koster, twee boeren, een klein schreeuwend jongetje, de wasvrouw en een
lelijk keffertje van een hond overkwam hetzelfde lot. Ze kleefden allemaal
aan elkaar. Het was dan ook een bonte stoet. Na een poosje kwam de optocht
in de stad waar de koning woonde. De koning had een dochter, die zo serieus
was, dat ze nooit lachte. Het was een hele zorg. De koning was wanhopig.
Daarom had hij bekend gemaakt, dat degene die de prinses aan het lachen
kon krijgen, met haar mocht trouwen! "Aha!" zei Domoor en hij sleurde de
jammerende sliert naar de prinses. De prinses zat net op het bordes te
kniezen. Toen ze de bonte stoet zag moest ze lachen, zo lachen, dat de
hele stad verast opkeek. De prinses lacht! Toen op de gans op hetzelfde
moment zijn toverkracht verloor en iedereen achterover tuimelde, kwam ze
helemaal niet meer bij! Blij vroeg Domoor om de hand van de primes.
Maar de koning hield zich niet aan z'n belofte. Hij vond Domoor maar een domoor. Domoor moest eerst maar eens drie onmogelijke opdrachten vervullen, voordat hij de hand van de prinses kreeg. Onmogelijk? Nou, dan kende hij Domoor nog niet. Want met behulp van de kabouter waren die opdrachten zó gepiept. Tja... toen kon de koning niet langer weigeren. Onder klokgelui en gejuich van de bevolking, liep Domoor met zijn bruid naar het altaar. Hij voelde zich de gelukkigste man van de wereld. En de zwaan? Die snaterde er vrolijk op los in de koninklijke hofvijver. En ze leefden nog lang en gelukkig...
Achtergrondinformatie
Dit sprookje is ook wel
bekend onder de naam "De Gouden Gans". Ook in de Efteling worden deze namen
nogal eens door elkaar gehaald. In een van eerste drukken van de "Sprookjes
van Grimm" werd het deel over de tweede zoon afgedaan met "met de tweede
zoon ging het evenzo, alleen slaat hij zich niet in de arm maar in het
been." Gelukkig is dit in latere drukken vervangen door een 'herhaal scène',
zoals in sprookjes gebruikelijk is. Het sprookje is overigens niet alleen
in Europa bekend. In Azië en Afrika zijn in de sprookjesboeken zijn
ook "kleef-aan" verhalen te vinden.