|
|
|
|
Ze verloor het bewustzijn, maar toen ze weer wakker werd en weer tot zichzelf kwam, lag ze in een prachtige weide. De zon scheen en er stonden duizenden bloemen. Ze stond op en liep de weide af. Daar kwam ze bij een oven vol met broden, en ze riepen: "Haal ons eruit, haal ons eruit, anders verbrand we. We zijn al lang gaar!" Rita ging erheen en haalde platen vol met de broden uit de oven. Verder wandelde ze; ze kwam bij een boom vol met appelen en de boom riep: "Schud me toch, schud me toch, want de appels zijn allemaal rijp!" Ze schudde de boom zodat de appels vielen alsof het regende, en ze schudde zolang, tot er geen een meer hing, ze legde al de afgevallen appels op een hoop, en toen wandelde ze weer verder. Eindelijk kwam ze bij een klein huisje. Een oude vrouw keek uit het venster, maar die had zulke grote tanden, dat ze er bang van werd, en ze wou weglopen. Maar de oude vrouw riep haar na: "Waarom ben je bang, lieve kind? Blijf bij me. Als jij alle huiswerk wilt doen, zal het je goed gaan. Je moet alleen zorgen, dat je mijn bed goed schudt, zodat de veren vliegen, dan sneeuwt het in de wereld, ik ben vrouw Holle! Hoe heet jij, liefje?” “Rita”, antwoordde ze. Toen de oude vrouw zo vriendelijk tegen haar sprak, vatte het meisje moed, stemde toe en kwam bij haar in dienst. Ze deed alles tot grote tevredenheid en schudde het bed steeds met zoveel geweld, dat de veren als sneeuwvlokken rondvlogen; maar ze had dan ook een goed leven bij haar, geen enkel boos woord en elke dag haar natje en haar droogje.
Ze was al een poos bij vrouw Holle, toen ze triest werd en in het begin zelf niet wist wat er met haar was; eindelijk begreep ze dat het heimwee was; al had ze het hier duizendmaal plezieriger dan thuis, ze verlangde er toch naar terug. Eindelijk zei ze tegen vrouw Holle: "Ik heb een vreselijk verlangen naar huis, en al gaat 't me hier nog zo goed, ik kan niet langer blijven, ik moet naar mijn familie terug." Vrouw Holle sprak: "Ik vind het lief van je, dat je weer naar huis verlangt, en omdat je me zo trouw gediend hebt, zal ik je zelf weer naar boven brengen." Ze nam haar bij de hand en bracht haar bij een grote poort. De poort werd geopend, en toen het meisje daar onder stond, viel er een regen van goud neer, en al 't goud bleef aan haar hangen, zodat ze helemaal met goud was overdekt. "Dat krijg je, omdat je zo ijverig bent geweest," zei vrouw Holle en ze gaf haar ook de spoel terug, die in de put was gevallen. Daarop viel de poort dicht en het meisje was in de bovenwereld, niet ver van haar moeders huis en toen ze in de tuin kwam, zat de haan op de putrand en riep: "Kukeleku, Onze gouden jonkvrouw zien we nu."
Toen
ging ze naar binnen naar haar moeder en omdat ze met goud overdekt was,
werd ze door haar en haar zuster vriendelijk begroet. Het meisje vertelde
alles wat ze ondervonden had, en toen de moeder hoorde, hoe ze tot grote
rijkdom was gekomen, wilde ze haar eigen lelijke, luie dochter graag hetzelfde
geluk gunnen. Ze moest bij de waterput zitten en spinnen; en om de spoel
bloederig te maken, prikte ze zich in haar vinger door met haar hand in
de doornhaag te stoten. Toen gooide ze de spoel in de put en sprong er
zelf in. Ze kwam, net als de ander, op de mooie weide en volgde hetzelfde
pad. Toen ze bij de oven kwam, riep het brood weer: "Haal me eruit, haal
me eruit, anders verbrand ik, ik ben al lang gaar." Maar het luie meisje
antwoordde: "Denk je dat ik zin heb mijn handen vuil te maken," en ze ging
weg. Weldra kwam ze bij de appelboom, die riep: "Schud me toch, schud me
toch, wij appels zijn allemaal al rijp!" Maar zij antwoordde: "Dat denk
je maar, er zou best een appel op mijn hoofd kunnen vallen!" En daarmee
ging ze verder. Toen ze bij het huisje van vrouw Holle kwam, was ze niet
bang, want van die grote tanden had ze al gehoord, en ze verhuurde zich
meteen. De eerste dag deed ze zichzelf geweld aan en was vlijtig en deed
wat vrouw Holle haar zei, want ze dacht aan al het goud dat ze ter beloning
zou krijgen, maar de tweede dag begon ze al te luieren, en de derde nog
meer: toen wou ze 's morgens niet eens meer opstaan. Ze schudde het bed
van vrouw Holle ook niet, zoals het hoorde, en ze schudde zeker niet zo
dat de veren vlogen. Dat verdroot vrouw Holle al gauw en ze zei haar de
dienst op. De luie was daar best mee tevreden en dacht, nu zal de gouden
regen beginnen; vrouw Holle bracht haar bij de poort, maar toen zij daar
onder stond, werd er in plaats van goud een grote pan vol pek uitgestort.
"Ter beloning van je diensten," zei vrouw Holle en sloot de poort. Zo kwam
de luie meid thuis, helemaal vol pek, en de haan zat op de putrand en riep:
Kukeleku, Onze zwarte Mina zien we nu!" Het pek bleef aan haar kleven en
wilde er haar leven lang niet af!
De put van vrouw Holle
in de Efteling
Al sinds het begin van het
Sprookjesbos,
staat de Put van vrouw Holle in de Efteling. Je vindt de put vlak voor
het Herautenplein. De put heeft een doorgezakt dak, wat weer typisch Pieck
is. Nooit recht, altijd schots en scheef. In de put is een diaprojectie
te zien. Op deze dia's staan tekeningen van Anton
Pieck. Het verhaal wordt, net als bij
Raponsje,
Roodkapje
en De
Rode Schoentjes, verteld door Wieteke van Dort. In de laatste jaren
was van de projectie amper meer iets te zien, doordat de ruitjes smerig
waren geworden. Maar met het 50 jarig jubileum in zicht is het hele Sprookjesbos
grondig onder handen genomen. Zo ook de Put van vrouw Holle, hier zijn
alle ruitjes weer schoon of vervangen zodat het sprookje weer volledig
tot zijn recht komt.
Achtergrond informatie
Zoals bij bijna ieder sprookje,
is ook hier weer duidelijk het verschil tussen 'goed' en kwaad' te zien.
De beide dochters zijn totaal verschillend van aard. Het vreemde is dat
de moeder meer houd van de luie dochter. Als je het sprookje goed bekijkt
dan zijn er drie type mensen: luie dochter, ijverige dochter en een rechtspersoon
(Vrouw Holle). De moeder van de dochters heeft in dit verhaal eigenlijk
geen betekenis. Volgens de 'aantekeningen' uit Grimm is "Het motief van
de goede en de slechte zuster dan ook een dankbaar motief en in opvoeding
opzicht zeer leerzaam". En dat is natuurlijk ook zo, sprookjes hebben vaak
een onderliggende gedachte/boodschap. In dit verhaal gaan beide dochters
hun 'eigen' gang. Rita (zoals de ijverige dochter in de Efteling wordt
genoemd) is aan spinnen. Als haar spoel in het water valt dan probeert
ze die terug te krijgen. Ze gaat voor Vrouw Holle werken. Als ze naar huis
wil wordt ze rijkelijk beloond voor haar inzet. Mina (de luie dochter)
is jaloers en doet hetzelfde. Maar omdat ze er met de pet naar gooit wordt
ze niet zo beloond als Rita. Hier is Vrouw Holle duidelijk een rechtspersoon,
ze geeft een ieder waar hij/zij recht op heeft. Grimm omschrijft het als
volgt: "Vrouw Holle behoort met talrijke andere figuren van het volksgeloof
tot de demonische vrouwelijke wezens, die in oorsprong met de onderwereld
in verbinding staan. Zij tonen zich zeer verschillend van aard, soms behulpzaam
en weldadig, maar soms ook straffend en zelf wreed." Dit is dus duidelijk
te zien in de beloning die Mina krijgt.