|
|
|
|
Van
dat ogenblik af haatte de koningin Sneeuwwitje fel en ze zocht naar een
manier om van haar af te komen. "Breng het kind naar het holst van het
bos, beval ze tenslotte één van haar jagers, "en dood haar.
En opdat ik zeker weet dat je nu zult gehoorzamen, moet je haar hart uitsnijden
en het mij brengen!" De jager begon aan zijn opdracht, maar toen hij Sneeuwwitje
zou doden was ze zo mooi en huilde ze zo meelijwekkend, dat hij het niet
over zijn hart kon krijgen haar pijn te doen. "Ik zal je hier achterlaten",
zei hij, zijn scherpe mes weer opbergend. "Keer nimmer naar het paleis
terug, maar verstop je ergens diep in ‘t woud." De brave jagersman doodde
een hert, sneed er het hart uit en bracht dat als bewijs naar de koningin.
Alleen achtergebleven in het bos wist Sneeuwwitje niet waar ze voortaan
moest slapen. Het werd at donker en ze begon te hollen. Ze struikelde voortdurend
over stenen en boomwortels en scheurde haar mooie jurk aan scherpe dorens,
tot ze opeens voor een leuk klein huisje stond. "Misschien woont daar wel
iemand die mij wit helpen", dacht ze; ze klopte aan. Maar toen er niemand
kwam, deed ze het deurtje voorzichtig open en stapte naar binnen. Binnen
zag ze een lange tafel, midden in de kamer, en er stonden zeven kleine
bekertjes en zeven kleine bordjes op, en langs de muur waren zeven kleine
bedjes. "Wat ben ik moe", zuchtte Sneeuwwitje. Zonder lang dralen ging
ze op een van de bedjes liggen en weldra was ze in diepe slaap.
In dit huisje woonden de
zeven dwergen, die in de bergen naar goud en diamanten groeven. Als het
donker werd, keerden ze naar huis terug, ieder van hen had zijn lantaarntje
bij zich en dacht verlangend aan lekker warm avondeten. Wat stonden ze
verbaasd te kijken toen ze Sneeuwwitje in een van hun bedjes vonden, nog
altijd diep in slaap. "Wat een lief meisje", fluisterden ze tegen elkaar,
terwijl ze geboeid bleven kijken. "‘We laten haar maar tot morgen slapen."
De volgende ochtend wachtten de zeven dwergen rond het bedje van Sneeuwwitje
tot ze haar ogen opsloeg. "Wie zijn jullie? En waar ben ik?" vroeg ze met
een vreesachtig stemmetje. Vlug
vertelden de zeven dwergen
nu wie zij waren en dat dit huisje van hen was. "Nu moet je ons vertellen
wie jij bent en hoe je hier bent gekomen." Sneeuwwitje deed haar verhaal
en de zeven dwergen nodigden haar meteen uit bij hen te blijven wonen.
"Jij kunt het huishouden wet doen", zeiden ze, "en voor ons koken en onze
kleren verstellen. We zouden het heerlijk vinden als je bij ons zou willen
blijven." "En ik zal het ook prettig vinden", zei Sneeuwwitje, van blijdschap
in haar handjes klappend, "ik zal mijn best doen om zo goed mogelijk voor
alles te zorgen."
Maar soms voelde Sneeuwwitje zich eenzaam, als de dwergen naar hun werk waren getrokken, zingend en met hun houwelen wuivend. Intussen was de boze koningin in het paleis ervan overtuigd dat Sneeuwwitje dood was. "Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is de schoonste van het land?" vroeg ze hoopvol. Maar de spiegel antwoordde: "Nog zijd gij, koningin, heel schoon, maar Sneeuwwitje steekt u naar de kroon, ver weg over de hoge bergen woont zij, bij de zeven dwergen." De boze koningin werd rood van woede. Ze wist dat de toverspiegel alleen maar de waarheid kon spreken, dus had de jager haar belogen. Nooit van haar leven nog zou ze één dienaar vertrouwen! Nee, zij, de koningin, zou zelf uitgaan om Sneeuwwitje te doden, maar dan moest ze zich eerst goed vermommen. Ze wreef haar gezicht met aarde in om het bruin te maken en vermomde zich als bedelares, opdat Sneeuwwitje haar niet zou herkennen. Voor ze op pad ging, stopte ze haar tas vol mooie rijgveters en strikken en grote blauwe linten. Ze moest een heel eind door het bos lopen voor ze bij het huisje van de zeven dwergen was. Daar zag ze Sneeuwwitje aan het raam zitten; ze was bezig de sokken van de zeven dwergen te stoppen. "Goedemorgen, meisjelief", zei de koningin met haar krakerige stem. "Ik heb mooie linten en rijgveters te koop. Kom eens kijken en kies maar wat je ‘t liefste wilt hebben." "Ik mag de deur niet opendoen", riep Sneeuwwitje, die zich uit het raam boog en met glanzende ogen verlangend naar al dat moois keek. "Weet u, de dwergen werken in de mijnen en ik heb beloofd het huisje niet te verlaten." "Het duurt maar een minuutje", zei de oude bedelares met zoet vleiende stem. "Eén minuutje maar om al deze mooie dingetjes te bekijken." Sneeuwwitje, die dacht dat zo'n oud vrouwtje haar toch geen kwaad zou kunnen doen, kwam het deurtje uit. Sneeuwwitje koos een paar mooie rijgveters en toen de boze koningin aanbood ze in te rijgen, snoerde ze Sneeuwwitjes keurslijf zo strak aan dat ze geen adem meer kon halen en voor dood op de grond viel. Grinnikend haastte de boze koningin zich weer naar het paleis; ditmaal zou Sneeuwwitje nooit meer bijkomen.
Die
avond huilden de zeven dwergen bittere tranen toen ze thuiskwamen en hun
Sneeuwwitje zo bleek en stil op de grond zagen liggen. "Vlug", zei er een,
"knip deze veters door; misschien zijn we er nog op tijd bij." Wat waren
de dwergen blij toen Sneeuwwitje na een diepe zucht weer begon te ademen.
"Die oude bedelares was je boze stiefmoeder, de koningin", zeiden ze, toen
ze een beetje van de schrik bekomen waren. "Wees voortaan dubbel voorzichtig
en kom de deur niet meer uit!" waarschuwde het zevental ernstig. Intussen
was de koningin weer in haar paleis teruggekeerd. "Spiegeltje, spiegeltje
aan de wand, wie is de schoonste van het land?" vroeg ze zorgeloos.
En de toverspiegel antwoordde: "Nog zijt gij, koningin, heel schoon,
maar Sneeuwwitje steekt u naar de kroon, ver weg over de hoge bergen woont
zij nog steeds bij zeven dwergen." Bij deze woorden werd de koningin
wit van drift en groen en geel van nijd. Ze stampvoette en schreeuwde en
ze zwoer dat ze Sneeuwwitje op de een of andere manier voorgoed uit de
weg zou ruimen. Opnieuw vermomde ze zich en nu vulde ze haar mand met kammen
en andere sierlijkheden om je mooi te maken, maar aan een van de kammen
smeerde ze een dodelijk gif. Toen ging ze weer op weg naar het huisje van
de zeven dwergen.
"Prachtige kammen en haarspelden te koop", riep ze, terwijl ze aanklopte. "En deze kam is de mooiste van de hele wereld." Eerst wou Sneeuwwitje helemaal de deur niet uitkomen, maar door het raam zag ze de kam zo flonkeren en schitteren in het zonlicht of hij met diamantjes was bezet en tenslotte kon ze zich niet meer beheersen en deed de deur open. Daar stond de boze koningin glimlachend voor haar. "Hier is een kam die waard is door een prinses te worden gedragen", mompelde ze. "Laat me eens kijken hoe die kam in jouw mooie haren staat." Maar nauwelijks had ze de kam in de lange zware lokken van het meisje gestoken of Sneeuwwitje viel op de grond, de kam nog altijd in haar haar. "Zo", mompelde de boze vrouw, "nu is ze toch echt dood. Ik kan rustig naar het paleis terugkeren; ik heb helemaal niets meer te vrezen." Toevallig hadden de zeven dwergen besloten, Sneeuwwitje te verrassen door vroeg thuis te komen. Toen ze haar doodsbleek op de grond vonden, wisten ze meteen dat de lelijke stiefmoeder weer aan de deur was geweest. Vlug trokken ze de vergiftigde kam uit Sneeuwwitjes haar en dadelijk deed ze haar ogen weer open. "Je moet ons beloven", smeekten ze alle zeven, "dat je nooit, maar dan ook nooit de deur meer opendoet als wij niet thuis zijn." En opnieuw beloofde Sneeuwwitje dat ze gehoorzaam zou zijn.
En weer vroeg de koningin in haar verre paleis aan de spiegel wie de mooiste van ‘t land was. En de spiegel antwoordde: "Nog zijt gij, koningin, zeer schoon, Maar Sneeuwwitje heeft u ontroofd die kroon, want ver weg over de hoge bergen woont zij nog bij haar zeven dwergen." Bij dit antwoord sidderde de koningin van jaloezie en wilde woede. Ze keerde naar haar geheime kabinet boven in de toren van het paleis terug en daar begon ze een vergiftigde appel klaar te maken. Het was een pracht van een appel om te zien en ze wist dat niemand ter wereld deze appel zou kunnen bekijken zonder er een hap van te willen nemen. Ook wist ze dat één enkel hapje genoeg was om de dood te brengen. Voldaan over haar werk vermomde de koningin zich deze keer als een oud, rimpelig boerinnetje en met haar mandje appels ging ze op weg naar het huisje van de zeven dwergen. "Ik mag u niet binnenlaten", riep Sneeuwwitje achter het raam, toen ze haar zag komen. "Mijn zeven dwergjes zouden ‘t me nooit vergeven." "Maar het zijn zulke mooie, lekkere appels", pleitte de vermomde boze koningin met haar zachtste stemgeluid. "En hier heb ik er een die nog zoeter smaakt dan honing. Zie toch eens hoe rood en sappig hij is, durf je er niet één klein hapje van te nemen?" Sneeuwwitje boog zich ver uit het raam en toen ze de appel zag, kon ze zich al bijna niet meer beheersen. "Als je zo bang bent om een hapje te nemen van dit lekkere fruit", zei de boze koningin, "let dan maar eens op nu; ik neem een hapje en dan mag jij de rest hebben." En terwijl Sneeuwwitje toekeek, beet ze een stukje uit de appel, van de kant die niet vergiftigd was. Sneeuwwitje, die nu dacht dat er met de appel niets aan de hand was, zette haar tandjes in de rood blozende vrucht en meteen viel ze bewusteloos op de grond.
De kwaadaardige koningin lachte voldaan. "Blank als sneeuw. Rood als bloed. Zwart als ebbehout. Ditmaal ben je goed dood en de dwergen kunnen niets meer doen om je te redden." Daarna draaide ze zich om en spoedde zich naar het paleis terug. Tenslotte gaf de spiegel haar het antwoord dat ze vurig wenste: geen vrouw in het hele koninkrijk was mooier dan zij. En toen ze dit hoorde, kwam haar jaloerse hart tot rust. Wat waren de zeven dwergen wanhopig toen ze ‘s avonds thuiskwamen. Op geen enkele manier konden ze Sneeuwwitje weer tot leven wekken en drie dagen en nachten huilden ze tranen met tuiten. "We moeten haar begraven", zeiden ze tenslotte. Maar in plaats van haar in de koude, donkere grond te leggen vleiden ze de dode Sneeuwwitje in een glazen kistje zodat ieder die maar langskwam, haar schoonheid nog kon bewonderen. En elke dwerg hield op zijn beurt de dodenwacht.
De
jaren gingen voorbij. Sneeuwwitje, net zo lieftallig als op het ogenblik
dat de zeven dwergen haar voor het eerst hadden gezien, scheen vredig te
sluimeren; haar lange zwarte lokken golfden tot over haar schouders. De
zeven dwergjes stonden altijd trouw op wacht, dag en nacht. Nu gebeurde
het dat een jonge, knappe prins door het woud kwam gereden. Toen hij het
glazen kistje zag en de aanbiddelijke Sneeuwwitje erin, werd hij op slag
verliefd. "Laat mij de glazen kist mee mogen nemen", zei hij tegen de dwergen.
"Jullie mogen in ruil alles van mij vragen wat je maar wilt." "We willen
de glazen kist nog niet voor alle schatten van de wereld verkopen", antwoordden
de zeven dwergen. Maar de prins liet hen niet met rust; hij zei dat hij
zou sterven als hij niet voortdurend naar Sneeuwwitje kon kijken. Tenslotte
kregen de dwergen medelijden en ze stonden hem toe de kist mee te nemen.
De prins gaf zijn dienaren opdracht de glazen kist op hun schouders te
tillen en naar het paleis te dragen. Maar onderweg struikelde een van de
dienaren over een boomstronk en bijna was de glazen kist gevallen. Doch
door de schok schoot het brok vergiftigde appel uit Sneeuwwitjes keel.
En meteen keerde het leven in haar terug.
"Waar ben ik?" vroeg ze, het deksel van de glazen kist openduwend, en de prins sloot haar, met tranen in zijn ogen van geluk, in zijn armen. "Wees maar niet bang. Je bent nu veilig en ik hou meer van je dan van wat ook ter wereld. Ga je mee naar het paleis van mijn vader? En wil je dan met me trouwen?" Sneeuwwitje antwoordde: "ja", want de prins was de edelmoedigste en knapste man die ze ooit had gezien. "Maar eerst", riep ze uit, "moeten we ‘t aan mijn beminde zeven dwergen vertellen." En samen op de prachtige witte schimmel van de prins gezeten, reden ze nu terug naar het huisje van de dwergen om vaarwel te zeggen, en die konden van ontroering en blijdschap nauwelijks een woord uitbrengen. Weldra was het tijd om naar het paleis te gaan en daar troffen ze voorbereidingen voor de bruiloft. Sneeuwwitje was zó gelukkig dat ze zelfs haar boze stiefmoeder een uitnodiging stuurde. "Spiegeltje, spiegeltje aan de wand. wie is de mooiste van het land?" vroeg de koningin, toen ze de uitnodiging kreeg. En de toverspiegel antwoordde: “Uw schoonheid, o gij koningin, is zeker nog heel groot, maar schoner is Sneeuwwitje toch, herrezen uit de dood.” Toen ze dit hoorde kreeg de boze toverkoningin, ziedend van woede en jaloezie, een stuip en daar is ze in gebleven.
Sneeuwwitje in de Efteling
Vanaf het allereerste moment
is Sneeuwwitje al te vinden op het Herautenplein in het Sprookjesbos.
Eerst simpel in haar kist met de dwergen er omheen, later in de grot. Waar
ze tot op heden nog te bewonderen is. Echter dit is niet de enige plek
waar het sprookjes van Sneeuwwitje wordt uitgebeeld. In het (voormalige)
Sprookjesmuseum (eveneens op het Herautenplein) lag tot 2002 de appel samen
met een tekening van Anton Pieck. In 1999 wordt dit sprookje nogmaals verder
uitgebeeld. Op het Herautenplein verrijzen twee gebouwen. De ene is Herberg
de Ersteling en de ander het kasteel van de Sneeuwwitjes stiefmoeder.
Hier hangt ook de Toverspiegel die werkelijk tot leven is gekomen.
Foto: