|
|
|
|
Toen kwam daar, op dat ogenblik, een groot, oud rijtuig aan en daarin zat een statige, oude dame; ze keek naar het kleine meisje en had medelijden met haar en toen zei ze tot de dominee: "Geef mij dat kleine meisje, ik zal goed voor haar zijn! Karen dacht dat dit allemaal om de rode schoentjes was, maar de oude dame zei dat ze afschuwelijk waren, en ze werden verbrand. Karen zelf kreeg keurige, schone kleren aan en moest leren lezen en naaien, en de mensen zeiden dat ze lief was, maar de spiegel zei: "Je bent véél meer dan lief, je bent mooi, héél mooi! Op een keer reisde de koningin door het land en ze had haar dochtertje bij zich, dat was een prinses. De mensen stroomden samen voor het slot en daar was Karen ook bij; de kleine prinses stond, keurig in het wit gekleed, voor een der vensters en liet zich bekijken: ze had geen sleep en geen kroon, maar zij had prachtige, rode saffiaanleren schoentjes aan; dat waren heel wat nettere schoentjes dan die vrouw Schoenmaker voor kleine Karen had genaaid. Niets ter wereld is zó mooi als rode schoentjes!
Nu
was Karen op de leeftijd gekomen om aangenomen te worden; ze kreeg nieuwe
kleren, en nieuwe schoenen moest ze óók hebben. De rijke
schoenmaker in de stad nam de maat van haar voetje, bij zich thuis in zijn
eigen werkplaats; daar stonden grote, glazen kasten met mooie schoentjes
en glanzende laarzen. Dat was een prachtig gezicht, maar de oude dame kon
niet goed meer zien en daarom had ze er weinig aan; tussen de andere schoentjes
stond een paar rode, precies zoals de prinses ze had gedragen: wat waren
die mooi! De schoenmaker zei dan ook dat ze eigenlijk voor een gravenkind
waren maar ze hadden niet gepast."Dat zijn zeker lakschoentjes! zei de
oude dame,"ze glanzen zó! ze glanzen! zei Karen; en ze pasten
precies en ze werden gekocht; maar de oude dame wist niet dat ze rood waren,
want dan zou ze Karen nooit hebben toegestaan met rode schoentjes aangenomen
te worden, en dat gebeurde nu. Iedereen keek naar haar voetjes, en toen
ze door de kerk naar het koorhek ging leek het haar of zelfs de oude schilderijen
boven de graven, de portretten van dominees en domineesvrouwen met stijve
kragen en lange, zwarte kleren, hun ogen op haar schoentjes gevestigd hielden.
En alleen aan die schoentjes dacht zij toen de dominee haar de hand op
het hoofd legde en haar van de heilige doop vertelde, van haar verbond
met God, en dat zij nu een groot mens zou worden in Christus gemeente!
En het orgel speelde plechtig, de mooie kinderstemmen zongen en de oude
voorzanger zong, maar Karen dacht alleen maar aan haar rode schoentjes.
s Middags kreeg de oude dame van alle mensen te horen dat de schoentjes
rood waren geweest, en zij zei dat dit lelijk was en dat zoiets niet paste;
Karen moest voortaan, wanneer zij naar de kerk ging, altijd zwarte schoentjes
dragen, zelfs al waren ze oud.
De volgende zondag was er communie, en Karen keek naar de zwarte schoentjes en ze keek naar de rode en toen keek ze wéér naar de rode en ze deed de rode aan. Het was verrukkelijk, zonnig weer; Karen en de oude dame wandelden over het pad door de korenvelden; de weg was daar wat mul. Bij de deur van de kerk stond een oude soldaat met een kruk; hij had een wonderlijk lange baard die meer rood dan wit was, want hij was eigenlijk rood; hij boog diep en vroeg de oude dame of hij haar schoenen mocht afstoffen. Ook Karen strekte haar voetjes uit. "Kijk eens wat een fijne dansschoentjes! zei de soldaat. "Blijf stevig zitten wanneer jullie dansen! en toen sloeg hij met zijn hand op de zolen. De oude dame gaf de soldaat een stuiver en toen ging ze met Karen de kerk in. En alle mensen daarbinnen keken naar Karens rode schoentjes en alle schilderijen keken ernaar, en toen Karen voor het altaar knielde en de gouden kelk aan haar mond zette dacht zij alleen maar aan de rode schoentjes en het was alsof ze in de kelk rondzwommen: zij vergat haar gezang te zingen, zij vergat haar Onzevader te bidden. Toen gingen alle mensen de kerk uit, en de oude dame stapte in haar rijtuig. Karen tilde haar voetje op om ook in te stappen, en toen zei de oude soldaat die vlak bij stond: "Kijk eens, wat een fijne dansschoentjes! Karen kón het niet laten, ze moest een paar danspassen maken, en toen ze eenmaal was begonnen bleven haar benen doordansen, het was alsof de schoentjes macht over haar gekregen hadden. Ze danste de hoek van de kerk om, ze kon het niet laten, de koetsier moest achter haar aan lopen om haar te pakken te krijgen en tilde haar in het rijtuig; maar de voetjes bleven doordansen, zodat ze de goede oude dame gruwelijk trapte. Eindelijk kregen ze de schoentjes uit en kwamen de benen tot rust.
Thuis
werden de schoentjes in een kast gezet, maar Karen kon het niet laten om
ernaar te kijken. De oude dame lag nu ziek te bed en men zei dat ze niet
lang meer te leven had! Zij moest verpleegd worden en niemand kwam daar
meer voor in aanmerking dan Karen. Maar in de stad was er een groot bal,
Karen had een uitnodiging gekregen; zij keek naar de oude dame die toch
niet lang meer te leven had, ze keek naar de rode schoentjes, en ze vond
daar niets verkeerds in - ze deed de rode schoentjes aan, dat mocht toch
ook wel - maar toen ging ze naar het bal en begon te dansen. Maar als zij
naar rechts wilde, dansten de schoentjes naar links, en toen zij vooruit
wilde dansten de schoentjes achteruit, naar beneden de trap af, de straat
door en door de stadspoort naar buiten. Dansen dééd ze en
dansen móést ze, tot helemaal in het donkere bos. Daar scheen
iets tussen de bomen. Ze dacht dat het de maan was, want het was een gezicht.
Maar het was de oude soldaat met zijn rode baard, hij zat daar te knikken
en zei: "Kijk eens wat een verrukkelijke dansschoentjes! Toen werd ze
bang en ze wilde de rode schoentjes weggooien, maar ze bleven vastzitten;
ze stroopte haar kousen af, maar de schoentjes waren vastgegroeid aan haar
voeten. En dansen dééd ze en dansen móést ze,
over veld en wei, in regen en zonneschijn, s nachts en overdag; maar het
afschuwelijkst was het s nachts. Ze danste het kerkhof op, maar de doden
daar dansten niet, die hadden heel wat beters te doen dan dansen. Zij wilde
gaan zitten op het graf van de armen waar het bittere wormkruid groeit,
maar er was voor haar geen rust. En toen ze al dansend bij de open kerkdeur
was gekomen zag ze daar een engel in een lang, wit gewaad, met vleugels
die van zijn schouders tot de aarde reikten, zijn gezicht stond streng
en ernstig en in de hand hield hij een zwaard, breed en schitterend. "Dansen
moet je! zei hij, "dansen op je rode schoentjes, tot je bleek en koud
bent! Tot je vel verdroogt als dat van een geraamte! Dansen zul je van
deur tot deur, en waar er hoogmoedige ijdele kinderen wonen zal je op de
deur kloppen, dat ze je horen en bang voor je worden! Dansen zal je, dansen...!
"Genade! riep Karen. Maar ze hoorde niet wat de engel antwoordde, want
de schoentjes droegen haar door het hek, naar buiten over het veld, over
de weg en over de paden, en altijd door moest ze dansen.
Op een morgen danste ze langs een deur die ze goed kende; binnen klonk gezang, ze droegen een kist naar buiten die met bloemen was versierd. Toen wist ze dat de oude dame gestorven was, en ze meende dat ze nu door allen was verlaten en door Gods engel was vervloekt. Dansen dééd ze en dansen móést ze, dansen in de duistere nacht. De schoenen droegen haar mee over stekels en stronken en haar huid scheurde tot bloedens toe open; ze danste over de heide naar een klein, eenzaam huisje. Hier, wist ze, woonde de beul, en zij tikte met haar vinger op de ruit en zei: "Kom naar buiten! Kom naar buiten! Ik kan niet binnenkomen want ik dans! En de beul zei: "Je weet zeker niet wie ik ben? Ik hak slechte mensen t hoofd af, en ik kan merken dat mijn bijl trilt! "Hak mijn hoofd niet af! zei Karen, "want dan kan ik niet over mijn zonden treuren! Hak mijn voeten af met de rode schoentjes! En toen biechtte zij haar zonde en de beul hieuw haar voeten af met de rode schoentjes; maar de schoentjes dansten met de voetjes verder over het veld het duistere bos in. En toen sneed hij houten voeten en krukken voor haar, hij leerde haar een gezang dat zondaren altijd zingen, en zij kuste de hand die gehouwen had en ging weg over de heide. "Nu heb ik genoeg geleden om die rode schoentjes! zei ze. "Nu ga ik naar de kerk dat ze me zien! en ze spoedde zich naar de kerkdeur, maar daar dansten de rode schoentjes al voor haar uit en verschrikt keerde ze om. De hele week door was ze bedroefd en ze huilde vele bittere tranen, maar toen het zondag werd zei ze: "Nu heb ik toch genoeg geleden en gestreden! Nu geloof ik wel dat ik net zo goed ben als menigeen, die trots in de kerk zit! Nauwelijks was zij vol moed op weg gegaan of daar zag ze bij het hek gekomen, de rode schoentjes weer voor zich uit dansen en weer keerde ze verschrikt om en was diep bedroefd over haar zonden.
Toen
ging ze naar de pastorie en ze vroeg of ze daar in dienst mocht komen,
zij zou hard werken en alles doen wat zij kon. Op loon lette ze niet, zij
wilde alleen maar een dak boven het hoofd en bij goede mensen zijn. En
de domineesvrouw had medelijden en nam haar in dienst. En ze werkte hard.
Ze zat stil te luisteren wanneer de dominee s avonds hardop uit de bijbel
las. Alle kleintjes hielden van haar, maar wanneer ze over mooie kleren
praatten, en over eruitzien als een koningin, dan schudde ze het hoofd.
De volgende zondag gingen ze allemaal naar de kerk en ze vroegen haar of
ze mee wilde, maar ze keek met betraande ogen naar haar krukken, en toen
gingen de anderen op weg om Gods woord te horen. Maar zij ging alleen naar
haar kamertje. Het was niet groter dan dat er een bed en een stoel konden
staan, en daar ging ze zitten met haar gezangboek. En terwijl ze met vrome
aandacht las droeg de wind de tonen van het orgel naar haar toe, en zij
hief haar betraand gezicht en zei: "O God, help mij! Toen scheen de zon
ineens helder, en voor haar stond de engel in het witte gewaad, die ze
die nacht in de kerkdeur had gezien. Maar nu hield hij niet meer een scherp
zwaard in de hand, maar een mooie groene tak met rozen. Met die tak raakte
hij de zoldering aan, die zich plotseling hoog verhief. En waar hij de
zoldering raakte straalde een gouden ster. Ook raakte hij de muren aan
die wijd uiteen gingen, en zij zag het orgel dat speelde.
Ze zag de oude schilderijen van dominees en domineesvrouwen, de gemeente zat in versierde stoelen en zong uit hun gezangboek. Want de kerk was zelf tot het arme meisje gekomen in haar nauwe kamertje, of zij was bij hen gekomen; zij zat in de bank bij de andere leden van de domineesfamilie, en toen ze hun gezang uit hadden en opkeken knikten ze en zeiden: "Dat was goed dat je kwam, Karen! "Het was genade! zei ze. En het orgel speelde en de kinderstemmen in het koor klonken zo zuiver en zacht! De warme zonnestralen schenen helder door het venster in de bank waar Karen zat; haar hartje werd zo vol van zon en vrede en vreugde, dat het brak. En haar zieltje vloog op zonnestralen tot God, en daar was niemand die vroeg naar de rode schoentjes.