|
|
|
|
"Goedenavond, beste molenaarsdochter, waarom ben je zo bedroefd?" "Ach", antwoordde het meisje," ik moet uit stro goud spinnen, en dat kan ik niet." "Wat geef je me, wanneer ik het voor je doe?" vroeg het mannetje toen. "Ik geef je mijn halsketting," zei het meisje. Het mannetje nam de ketting aan, ging voor het spinnewiel zitten en snor, snor, snor, nadat hij driemaal had getrokken, was de spoel vol. Toen deed hij er een andere op, en snor, snor, snor, ook de tweede spoel was vol. Zo ging het maar door tot de volgende morgen toe. Toen was al het stro opgesponnen en zaten alle spoelen vol met goud. Nauwelijks was de zon opgegaan of de koning trad binnen. Toen hij het goud zag, was hij erg verrast. Hij verheugde zich er echt over, maar werd ook begeriger naar meer. Hij liet de molenaarsdochter naar een andere, veel grotere kamer brengen, die vol stro lag, en beval haar, ook deze hoeveelheid stro in één nacht tot goud te spinnen. Anders zou zij moeten sterven. Het arme meisje was weer ten einde raad en begon wanhopig te huilen, totdat de deur opnieuw openging en het kleine mannetje nogmaals verscheen. "Wat geef je me, wanneer ik uit al dit stro goud voor je spin?" vroeg hij. "De ring van mijn vinger," antwoordde het meisje. Het mannetje nam de ring aan, liet het rad weer snorren, en had 's morgens uit al het stro goud gesponnen.
Toen
de koning alles zag, werd zijn gouddorst nog meer opgewekt. Hij bracht
de molenaarsdochter naar een nog veel grotere kamer vol met stro en zei:
"Al dit stro moet je in deze ene nacht opspinnen. Lukt je dit, dan zul
je mijn gemalin en koningin van het land worden." Wel is ze maar een molenaarsdochter,
dacht de koning bij zichzelf, maar een rijkere vrouw vind ik in het hele
land niet. Toen het meisje alleen was kwam het mannetje voor de derde keer
bij haar binnen en vroeg:" Wat geef je me, wanneer ik ook deze keer uit
al het stro goud voor je spin?" "Ik heb helaas niets meer om te geven,"
antwoordde het meisje. "Zo, nu, beloof mij dan je eerste kindje wanneer
je koningin zult zijn geworden. "Wie weet wat er anders nog gebeurt, dacht
de molenaarsdochter. Ze wist niets beters te doen, dan maar toe te geven.
Zij beloofde het mannetje dus wat hij vroeg, en hij spon daarvoor in de
plaats al het stro tot blinkend goud. En toen de koning de volgende morgen
binnenkwam en alles vond, zoals hij het zich had gewenst, werd dadelijk
de bruiloft gevierd en werd de mooie molenaarsdochter koningin van het
land. Na verloop van tijd kreeg de koningin een kindje en ze dacht helemaal
niet meer aan het mannetje. Maar plotseling kwam hij haar kamer binnen
en zei: "Geef me nu, wat je mij hebt beloofd." De koningin schrok hevig
en bood het mannetje alle rijkdommen aan waarover zij beschikte, als hij
haar het kindje toch maar wilde laten behouden. "Nee,"zei het mannetje
beslist, iets wat leeft, is mij oneindig veel meer waard dan alle dode
schatten van de wereld." Toen begon de koningin zo hartbrekend te huilen
en te klagen, dat het mannetje medelijden met haar kreeg en zei: "Ik zal
je drie dagen de tijd geven. Wanneer je dan mijn naam te weten bent gekomen,
mag je het kindje houden."
De hele nacht door verzon de koningin alle mogelijke namen, die zij maar in haar leven had gehoord. Ook zond ze een bode uit, die door het hele rijk moest zien te weten te komen, wat voor namen er nog bestonden. Toen het mannetje de volgende morgen weer bij haar kwam, begon zij dadelijk met de namen Kasper, Melchior, Balthazar, en noemde hierna achtereenvolgens alle namen, die zij maar wist, op een rijtje af. Maar bij elke naam die zij noemde zij het mannetje:" Nee zo heet ik niet." De tweede dag liet de koningin in de omtrek naar ieders naam vragen, en noemde het mannetje de onmogelijkste en wonderbaarlijkste namen op: "Heet je misschien Ribbebiest of Schapekuit of Rijgschoen?" Maar hij antwoordde steeds: "Nee zo heet ik niet." De derde dag kwam de bode terug en zei:" Nieuwe namen heb ik helemaal niet gevonden, maar toen ik bij een hoge berg achter het bos kwam, waar de vos en de haas elkaar vriendschappelijk goedenacht wensten, zag ik een klein huisje. Vóór het huisje brandde een vuur, waar omheen een klein mannetje met de potsierlijke passen danste, en terwijl hij op één been hinkte, uitriep:

Repelsteeltje in de
Efteling
Repelsteeltje is een van
de nieuwste Sprookjesbos bewoners. In 1998 kwam hij
samen met Klein Duimpje en de reus in
het bos wonen. In het Sprookjesbos is het huis van
Repelsteeltje gebouwd alsof deze onder een boomstam is gebouwd. Buiten
voor de deur staat de wachter die stiekem luistert wat Repelsteeltje allemaal
zegt. En dat is in de Efteling niet veel meer dan: "Niemand weet, niemand
weet, dat ik Repelsteeltje heet".
Foto: