|
|
|
|
Nu
gebeurde het eens, dat de gouden bal van de koningsdochter niet in de handjes
viel die ze had opgeheven, maar daarlangs op de grond kwam en regelrecht
het water in rolde. De koningsdochter keek hem na, maar de bal was weg,
en de vijver was diep, zo diep, dat ze de bodem niet zag. Toen begon ze
te huilen en ze huilde steeds harder en ze wist zich geen raad meer. En
toen ze zo jammerde, riep een stem haar toe: "Wat is er toch, koningsdochter?
Je huilt of je een steen wilt vermurwen." Zij keek rond, waar die stem
vandaan kwam; daar opeens zag ze een kikker, die zijn dikke, lelijke kop
uit het water opstak. "Och, ben jij het, oude waterplasser," zei ze, "ik
huil om mijn gouden bal, die in de vijver gevallen is." "Wees maar stil
en huil niet meer," antwoordde de kikker. "Ik weet er wel raad op; maar
wat is het je waard, als ik je speelgoed opduik?" " Wat je maar wilt, lieve
kikker," zei ze, "mijn kleren, mijn parels en juwelen, en ook nog de gouden
kroon die ik altijd draag." De kikker antwoordde: "Je kleren, je parels
en juwelen en de gouden kroon, daar heb ik niets aan; maar wanneer je van
mij houden wilt, en ik je makker en je speelgenoot mag zijn, naast je zitten
aan tafel en van het gouden bordje eten, uit je kroesje drinken en in je
bedje slapen, wanneer je me dat allemaal belooft, dan zal ik onderduiken
en je gouden bal halen." "Wel ja," zei ze, "ik beloof je alles wat je maar
wilt, als je de bal maar terugbrengt." Zij dacht echter: " Wat praat die
kikker dom, die zit in 't water bij de andere kikkers en kwaakt en de vriend
van een mens kan hij toch niet zijn."
De kikker dook, toen hij de belofte hoorde; hij zwom omlaag, en na korte tijd kwam hij weer omhoog geroeid, had de bal in zijn bek en liet die in 't gras vallen. De koningsdochter was zielsblij, toen ze het mooie speelgoed weer zag; ze raapte hem op en sprong ermee weg. " Wacht even, wacht even," riep de kikker, "neem mij mee, ik kan niet zo hard lopen als jij!". Maar wat hielp 't hem, dat hij haar zijn kwek-kwek zo luid nariep als hij kon! Ze luisterde er niet meer naar, vloog naar huis. Ze had het arme dier al vergeten dat nu weer in de vijver moest duiken.
De volgende dag was de koning juist met de hele hofhouding aan tafel gegaan en zij at van haar gouden bordje, toen daar plits plats, plits plats iets de marmeren trappen op wipte, en toen hij boven gekomen was, klopte hij op de deur en roep: "Koningsdochter, jongste koningsdochter, doe open!" Zij stond op en wilde kijken wie daar was, maar toen ze de deur opendeed, zat daar alleen de kikker. Ze deed de deur haastig dicht, ging weer aan tafel zitten, en beefde van angst. De koning zag 't kloppen van haar hartje wel, en zei: "Maar kind, wat ben jij bang. Zit er soms een reus voor de deur om je mee te nemen?” ”Och nee,” zei ze, “het is geen reus, maar wel een vieze kikker.” “Wat wil die kikker van je?” “Ach vader, toen ik gisteren in 't bos was en bij de vijver zat te spelen, toen viel mijn gouden bal in het water. En omdat ik er zo om moest huilen, heeft de kikker hem weer voor me opgezocht. Om dat hij het absoluut wilde, beloofde ik hem mijn vriendschap, maar ik dacht niet dat hij uit het water kon. Nu staat hij buiten en wil bij mij binnen." Daar werd voor de tweede keer op de deur geklopt en ze hoorden: “Doe open, prinsesje, doe open! Weet je niet wat je gisteren hebt beloofd bij de vijver? Doe open, prinsesje doe open!"
Toen
zei de koning: "Wat je belooft hebt, moet je ook doen, sta maar op en doe
hem open." Ze ging de deur open doen; daar sprong de kikker binnen steeds
vlak achter haar voetjes, tot dichtbij haar stoel. Daar zat hij en zei
"Je moet me optillen." Zij aarzelde tot eindelijk de koning het gebood.
Toen de kikker eenmaal op een stoel zat, wilde hij op tafel, en toen hij
daar zat, zei hij: "Schuif nu het gouden bordje aan, zo dat we samen eten."
Dat deed ze, maar het was wel duidelijk, dat ze het niet graag deed. De
kikker at lekker, maar haar stokte het eten in de keel. Ten slotte zei
hij: "Ik heb heerlijk gegeten en nu ben ik moe, neem me mee naar je eigen
kamertje, maak je zijden bedje in orde, dan zullen we gaan slapen." Toen
begon de prinses te huilen en was bang voor de koude kikker die ze niet
durfde aanpakken en die dan nog in haar lekkere frisse bedje zou slapen.
Maar de koning werd boos en zei: "Wie je geholpen heeft, toen je in nood
was, mag je niet verachten." Toen pakte ze hem met twee vingers op, en
droeg hem naar boven en zette hem in een hoek. Maar toen ze in bed lag,
kwam hij aangehupt en sprak: "Ik ben moe, ik wel net zo goed slapen als
jij, neem me op of ik zeg het tegen je vader." Toen werd zij wel zo boos,
dat ze hem oppakte en tegen de muur gooide: "Nu zul je kunnen rusten, jij
vieze kikker!"
Maar toen hij neerviel, was het geen kikker, maar een prins met mooie, vriendelijke ogen. Nu was hij met de wil van haar vader haar lieve metgezel en haar gemaal. Toen vertelde hij haar, dat hij door een boze heks betoverd was en niemand had hem van de bron kunnen verlossen dan alleen zij, en morgen zouden ze samen naar zijn land gaan. Toen sliepen ze in, maar de volgende morgen, toen de zon hen wekte, kwam er een koets aan, met acht witte paarden bespannen, en die hadden witte struisvogelveren op hun hoofdstel en de leidsels waren gouden kettingen, en daarachter stond de dienaar van de jonge koning. De dienaar was zo bedroefd geworden, toen zijn heer in een kikker was betoverd, dat hij drie ijzeren ringen om zijn hart had laten slaan, zodat het niet van verdriet en treurnis zou breken. De koets zou de jonge koning naar zijn eigen koninkrijk brengen, de trouwe dienaar zette hen beiden in de koets, klom achterop en was overgelukkig met de verlossing uit de toverij. En toen ze een eind gereden hadden, hoorde de prins dat er iets achter hem viel als of het brak. Toen draaide hij zich om en riep: "Daar breekt de wagen, waarde dienaar." "Dat zal geen wagen zijn, o prins, maar 't is een ring van 't hart, die steun moest geven in mijn smart, toen u in de vijver ging wonen en u als kikker moest vertonen." Nog eens en nog een derde keer brak er ijzer op de weg, en de prins dacht aldoor dat de koets brak, maar het waren alleen de ijzeren ringen die van 't hart van de trouwe dienaar afvielen, omdat zijn prins nu verlost was en gelukkig.
De Kikkerkoning in
de Efteling
Je vind de Kikkerkoning
op het Herautenplein. Midden op het plein staat de kikkerfontein. Dit is
overigens niet de enige sprookjesfontein in de Efteling. Ook De
Kleine Zeemeermin en De Ganzenhoedster
zijn als fontein uitgebeeld. De gouden bal die telkens omhoog gespoten
wordt is eigenlijk maar een simpele voetbal. Want als je na lange tijd
de bal eens goed bekijkt dan zie je de zwarte vlakken door het laagje goudverf
heen.
Foto: