|
|
|
|
Het sprookje
Lang geleden leefde er in
een land hier ver vandaan een jonge prins. Die prins was erg bedroefd.
Hij wilde trouwen, maar dan met een echte prinses en die kon hij nergens
vinden. "Ach, jij ook!" zei de koningin. "Ik heb je voorgesteld aan de
mooiste, de verstandigste en de liefste prinsessen, maar je bent nooit
tevreden!" Ik ben u dankbaar, moeder," zei de prins. "Maar een echte prinses
heb Ik nog niet ontmoet. En ik zal net zo lang zoeken tot ik haar heb gevonden."
Diep in zijn hart wist de prins dat hij eens een echte prinses zou tegenkomen.
"Ik ken veel meisjes die zichzelf prinses noemen,” zei hij. “U en vader
en de ministers zeggen dat die meisjes prinsessen zijn. Sommige vind ik
wel mooi, en sommige zijn heel verstandig. En de meeste zijn ook erg lief.
Maar mijn prinses moet mooi én lief én verstandig zijn."
De prins ging op reis. Op het koninklijke zeilschip voer hij de hele wereld
rond. Hij bezocht paleizen in Zuid-Amerika en Perzië en kastelen in
China en Spanje. Maar nergens kwam hij een echte prinses tegen. Teleurgesteld
keerde hij terug naar zijn land. Daar was het intussen herfst geworden.
De avond na zijn thuiskomst brak er een verschrikkelijk onweer los. Het
donderde en bliksemde en de koude wind blies langs de ramen en de deuren
van het paleis. De prins had het zo koud dat hij vroeg ging slapen. De
koning en de koningin zaten bij het haardvuur te lezen. De koning rilde
van de kou en ging wat dichter bij het vuur zitten. "Ik ben blij dat onze
zoon voor de winter is thuisgekomen. Stel je voor dat hij met dit slechte
weer op zee was geweest. Ik heb medelijden met iedereen die nu buiten is."
"Verstandige mensen blijven met dit weer binnen," antwoordde de koningin.
Ze
had het nog maar net gezegd of er werd op de deur van het paleis geklopt.
Eerst zachtjes, maar daarna harder. "Wie kan dat zijn?" zei de koning.
Hij liep naar de deur, schoof de zware grendels weg en deed open. Een harde
windvlaag blies hagel en regen de gang in. "Brrr! " zei de koning en hij
rilde. Het was buiten heel donker en de koning kon niets zien. Plotseling
werd de deuropening verlicht door het licht van de bliksem. "Lieve hemel!"
riep de koning uit. "Wie ben jij, arm kind?" Voor de deur stond een mooi
jong meisje. Het water droop van haar jurk en haar goudblonde haar hing
in natte slierten over haar schouders. "Ik ben een prinses," zei het meisje
klappertandend. "Natuurlijk ben je dat, lief kind!" zei de koning en hij
glimlachte. "Kom maar gauw binnen. Ik moet wel zeggen, dat ik nog nooit
een prinses heb ontmoet die met zulk slecht weer alleen op reis is." "Ik
ook niet," dacht de koningin. "Maar ik weet een manier om erachter te komen
of ze een echte prinses is." Het meisje warmde zich voor het haardvuur.
De koning gaf haar een glas warme wijn en de koningin liet de kok een maaltijd
klaarmaken. Terwijl een lakei het eten opdiende, zei de koningin: "Je zult
wel moe zijn, lief kind. Je moet hier vannacht maar blijven slapen." De
koningin ging naar boven en zei tegen de dienstmeisjes dat ze de lakens
en de dekens van het bed in de logeerkamer moesten afhalen. "En daarna,"
zei ze, “leggen jullie alle matrassen die je kunt vinden op het logeerbed."
Terwijl de dienstmeisjes de matrassen aansleepten, legde de koningin een
gedroogde groene erwt op de eerste matras. De dienstmeisjes stapelden alle
andere matrassen boven op de eerste matras. Toen ze daarmee klaar waren,
lagen er eenentwintig matrassen op het bed
"Morgenochtend zullen we weten of dat meisje een prinses is, " dacht de koningin. Het meisje vond het wel een raar bed, maar ze was zo moe dat ze er niets van zei. Ze kreeg een nachthemd van de koningin. Toen ze dat had aangetrokken, klom ze langs een ladder omhoog in bed. De koningin zei tegen het meisje dat de koninklijke familie om acht uur zou ontbijten en wenste haar welterusten. De volgende dag was het meisje om vijf minuten voor acht beneden. De koning en de koningin zaten al aan tafel. "Heb je goed geslapen?" vroeg de koningin aan het meisje. "Het spijt me het te moeten zeggen," zei het meisje, "maar ik heb helemaal niet zo goed geslapen. Ik weet dat het onbeleefd klinkt. Maar zelfs met al die dikke matrassen heb Ik bijna geen oog dichtgedaan. "Maar dat is onmogelijk!" zei de koning. " We hebben je het beste bed van het paleis gegeven." Het meisje bloosde. Ze was bang dat de koning en de koningin haar erg ondankbaar zouden vinden. "Het was net of er een steentje onder de matrassen lag," stamelde ze verlegen. "Ik heb overal, blauwe plekken..."
De koningin kon haar oren niet geloven. "Maar dan ben je werkelijk een echte prinses!" riep ze uit. "Alleen een echte prinses heeft zo'n tere en gevoelige huid. Alleen een echte prinses kan door eenentwintig matrassen heen een gedroogde erwt voelen. Op dat ogenblik kwam de prins binnen. Hij keek het mooie meisje aan en wist meteen dat hij zijn echte prinses had gevonden. Hij had geen gedroogde erwt en een stapel matrassen nodig om dat te weten. Zijn hart vertelde hem dat zij het meisje was op wie hij al die tijd had gewacht. Iedereen in het land kreeg vrij op de dag dat de bruiloft werd gevierd. En de erwt werd in een glazen kastje op het grote plein van de hoofdstad gelegd. En dáár ligt hij nog steeds... Als bewijs van de liefde van de prins voor zijn echte prinses.
De prinses op de Erwt
in de Efteling
Zoals gezegd, is het sprookje
niet echt uitgebeeld. Alleen in het sprookjesmuseum is het sprookje te
vinden. Een tekening van Anton Pieck, een
fragment uit het sprookje en een erwt doen denken aan het sprookje. Helaas
is het Sprookjesmuseum al ruim 2 jaar gesloten. De afgelopen jaren zijn
een aantal sprookjes uit dit museum tot een volwaardig sprookje in het
park geworden. Tegenwoordig zijn deze kleine verwijzingen verhuist naar
het nieuwe Efteling Museum op het Anton Pieckplein. De kans is groot
dat het ook 'De prinses op de Erwt' in het park gebouwd gaat worden. Het
zou dan, met de komst van 'Het Meisje met de Zwavelstokjes'
het vijfde sprookje van Hans Christian Andersen
in de Efteling zijn.