|
|
|
|
|
De Danse Macabre
Dit
meest populaire en meest gespeelde muziekwerk van Saint-Saëns was geïnspireerd
op het gedicht Danse macabre van de Franse dichter Henri Cazalis. Dit gedicht
vertelt over een dodendans. De muziek Danse macabre was aanvankelijk een lied
met tekst, maar later is het herschreven in de vorm van een symfonisch gedicht.
In een symfonisch gedicht wordt laat in de 19e eeuw met muziek een verhaal verteld
op een beeldende manier. Iets later zal filmmuziek die verhaalvertellende rol
overnemen. Danse macabre wordt gespeeld door een piccolo, 2 dwarsfluiten, 2
hobo's, 2 klarinetten, 2 fagotten, 4 hoorns, 2 trompetten, 3 trombones, een
tuba, pauken, slagwerk, een harp en strijkers. Bij de eerste uitvoering van
de Danse Macabre op 24 januari 1874 vond het publiek de Danse te ongewoon. Saint-Saëns
gebruikt namelijk niet-harmonieuze muzikale effecten om de dodendans zo beeldend
mogelijk voor te stellen. Inderdaad prikkelt de muziek je fantasie, en roept
adembenemende beelden op.
Een lieflijke harp speelt de twaalf klokslagen over het kerkhof, waarmee het muziekstuk begint. De viool klinkt al in de eerste maten ‘vals’. Voor het eerst wordt een xylofoon gebruikt in een orkestwerk: het getik van de xylofoon verwijst naar het ratelen van de dansende botten. Strijkers spelen geheimzinnige akkoorden en tokkelen pizzicato-noten. De fluit speelt de melodie voor de eerste keer: een weemoedige wals. De strijkers nemen de dodendans over maar worden door de dodenviool onderbroken. Door afwisselingen in het tempo en in het gebruik van instrumenten wordt de spanning opgebouwd. De dans stopt bij de hoorntonen, de viool speelt een weemoedig afscheid. De dag begint, de zon komt op. De strijkers sluiten de scène af in dezelfde stilte van het kerkhof zoals het muziek was begonnen.
Geleidelijk won Danse macabre zo aan populariteit dat Saint-Saëns het bewerkte voor twee piano's. Liszt herschreef het werk later voor solopiano. De muziek volgt het verhaal van de dichter Cazalis. De beelden uit dit gedicht komen deels terug in de voorstelling van het spookslot. Het maanlicht doorbreekt de donkere wolken. Twaalf keer slaat de kerkklok zwaar. (gespeeld door de harp). Als de laatste slag vervaagt, klinken vreemde geluiden uit de graven. (strijkers) Het licht van de maan valt op een geest: het is de dood die viool speelt op een grafsteen. Gegil klinkt uit de graven rondom en de wind blaast door de boomtoppen. De sinistere tonen van de ontstemde viool van de dood roept de doden uit hun graven. Zij maken een duivelse dans. Wilder en wilder rennen de kletterende botten rond de dood. Plotseling stoppen de dansers. De ijzige wind overstemt de noten van de dood. Een trilling gaat over het veld. Skeletten draaien zich om naar de bleke maan alsof ze luisteren. Het pas getrouwd stel danst in trieste gedachten aan hun gelukkige dagen. Opnieuw zwepen de noten van de dood op uit de stilte en ze dansen nog een keer, wilder dan daarvoor. De wind gaat over in het geestenkoor. Plotseling stopt de dood zijn spel. In de stilte die volgt klinkt het kraaien van de haan. (hobo) De doden haasten zich terug naar hun graven. In de verte komt het eerste ochtendlicht op van de nieuwe dag.
De overeenstemming van de voorstellingen uit het gedicht en van het spookslot is opmerkelijk. Geen wonder dat juist deze beroemde muziek wordt gebruikt in de Efteling. Eigenlijk lagen de ingrediënten voor de bedenkers van het slot al voor het grijpen: de toon was letterlijk al gezet door Cazalis en Saint-Saëns. Pieck en v.d. Ven hebben deze sfeer uitgebouwd en in een entourage vorm gegeven.
Camille Saint-Saëns
Camille Saint-Saëns (spreek uit “kaamieje sen-san”) was een
Franse componist, organist en pianist. Hij werd op 9 oktober 1835 geboren in
Parijs en was een muzikaal wonderkind. Zijn eerste pianoles kreeg hij al toen
hij twee en een half jaar oud was, en toen hij tien jaar was gaf hij zijn eerst
concert. Hij bleek een bolleboos en leerde met gemak talen en toegepaste wiskunde.
Als hobby verdiepte hij zich ook nog in geologie, exotische reizen en astronomie.
Vanaf 1848 studeerde hij orgel en compositie aan het Parijse conservatorium.
Hij was in de twintig toen hij al bewondering oogstte van beroemde componisten
waaronder Berlioz, Liszt en Gounod. Hij was bijna twintig jaar kerkorganist
en trad regelmatig op als pianist. Zijn pure en gracieuze speelstijl werden
geroemd. Zijn speelrepertoire bestond vooral uit het werk van vroegere Franse
componisten. Maar de helderheid, gepolijste uitdrukking en elegante lijnen bleken
ook uit wat hij zelf componeerde. Camille Saint-Saëns was daarin wat een
buitenbeentje. Hij had een klassieke, conservatieve en wat afstandelijke inslag
en was geen vernieuwer. Hij was een typ die hield van vakmanschap en gevoel
voor verhoudingen en vormen. Over moderne muziek schreef hij vaak op een wat
ironische manier. Allerlei genres van muziek heeft hij gecomponeerd: opera's
, symfonieën, concerten, liederen, gewijde en wereldse muziek, pianosolo's
en kamermuziek.
Naast
zijn werk organiseerde hij concerten van symfonische gedichten van Frans Liszt.
Destijds was dat een nieuwe muziekvorm: een orkestwerk aan de hand van een verhaal
of een gedicht. In 1871 schreef Saint-Saëns zelf zijn eerste symfonische
gedicht: Le Rouet d’Omphale (het spinnewiel van Omphale). In 1875 trouwde Saint-Saëns
met de negentien jarige Marie Truffot. Samen kregen ze twee kinderen die al
vroeg overleden. Het huwelijk zelf was ook geen succes en in 1881 scheidden
ze. Vlak voor zijn huwelijk schreef Saint-Saëns de Danse macabre in 1874.
Vanaf 1877 leefde hij uitsluitend van het componeren. Naast de conservatieve stijl begon ook ‘exotische’ muziek te schrijven, dramatische muziek in vier symfonische gedichten met terugkerende thema's, veranderende structuren, duidelijke uitdrukkingen en sterk aansprekende scènes. Zon bekend muziekwerk van Saint-Saëns is Le carnaval des animaux uit 1886: een vrolijk werk voor een klein orkest. De instrumenten bootsen dierengeluiden na in een dierencarnaval. Samen met dit Le carnaval des animaux is de Dance Macabre zijn meest gespeelde werk.
Van 1880 tot het einde van zijn leven produceerde hij over alle genres diverse dramatische en instrumentale muziek. Tijdens zijn concertreizen bezocht Saint-Saëns diverse landen in Europa en het Verre Oosten (1899), Zuid?Amerika (1904 en 1916) en de Verenigde Staten van Amerika (1907 en 1915). In de laatste twintig jaren van zijn leven was hij het liefst bij zijn honden en leefde graag in afzondering. Hij stierf in Algiers op 16 december 1921.
Van kloosterkerkhof naar Spookslot
Toen zijn Danse Macabre ruim een eeuw oud was, werd in de Efteling
op 10 mei 1978 een nieuwe griezelattractie geopend. Het speelde zich af op een
begraafplaats bij een kerk of klooster, precies zoals het gedicht suggereert.
Voor de dans werden geen onzichtbare geesten gebruikt maar doorzichtige spoken.
En griezelen met spoken past nu eenmaal beter bij een Spookslot
dan bij een klooster. Misschien ontstond via deze associatie de ongewone combinatie
van een kloosterkerkhof binnen kasteelmuren. Een sfeervolle expressie van de
macabere dans van Camille Saint-Saëns.
Danse macabre: het oorspronkelijke gedicht van Henri Cazalis (1840-1909):
| Zig et zig et zag, la mort cri cadence
Frappant une tombe avec son talon, La mort à minuit joue un air de danse, Zig et zig et zag, sur son violon. Le vent d'hiver souffle, et la nuit est
sombre, Zig et zig et zag, chacun se trémousse,
Zig et zig et zag, la mort continue
La dame est, dit-on, marquise ou baronne.
Zig et zig et zig, quelle sarabande!
Mais psit! tout à coup on quitte
la ronde, |
Heen en heen en heen, de Dood in beweging
Raakt een graf met zijn hiel De Dood, speelt om middernacht een dansdeuntje Heen en heen en weer op zijn viool De winterwind blaast en de nacht is somber
Heen en heen en heen, iedereen is in de
weer, Heen en heen de dood gaat voort
De dame is, zo zegt men, markiezin of
barones Heen en heen wat een sarabande!
Maar ssst! Plotseling stopt de rondedans
|
tekst: Ruud Heesters