Voorpagina « Klaas Vaak

Bijna iedereen kent Klaas Vaak, er doen meer verhalen de rondte. Natuurlijk is er het verhaal dat Hans Christian Andersen heeft geschreven. Met de komst van Efteling Bosrijk, heeft ook de Efteling Klaas Vaak omarmt. De Efteling heeft vervolgens haar eigen verhaal rondom het bekende zandmannetje geschreven.


Klaas Vaak (Eftelingversie)
Er was eens een kleine prins die Jochem heette. Hij woonde in een prachtig kasteel, middenin een bosrijk gebied. Op een avond bracht zijn moeder hem naar bed. Hoewel er vier lakeien klaarstonden, deed de koningin dat altijd het liefste zelf. Ze stopte hem lekker in en zong zachtjes. 'Als de maan is opgekomen, slapen alle kindertjes en ze worden in hun droom hele mooie vlindertjes.' Toen gaf ze hem een nachtkus. "Slaap lekker, prinsje van me." Zijn moeder had de kamer nog niet verlaten of Jochem beleefde de schrik van zijn leven.

Een enorme uil vloog opeens door het open raam naar binnen. Jochem zat meteen rechtop in bed. De uil landde op het tapijt en Jochem keek verbaasd toe hoe een oude magere kabouter van zijn rug af stapte. Hij had een lange witte baard en droog een nachthemd. Op zijn hoofd had hij een slaapmuts en hij hield een grote zandloper vast. "Dag prins Jochem", zei ge kabouter vriendelijk, "weet jij wie ik ben?" "Ik denk dat u Klaas Vaak bent." zei Jochem, die alweer van de eerste schrik bekomen was. "Ik zie het aan de zandloper". "Heel goed," zei Klaas Vaak, "dus je hebt weleens van me gehoord." "Nou en of," zei de prins. "Overal waar u komt krijgen kinderen de mooiste dromen." "Inderdaad", zei Klaas Vaak. "Zeg, wat heb jij een prachtige slaapkamer. Alles is hier even mooi en netjes." "Ja, een beetje te netjes," zei Jochem en hij keek sip zijn kamer rond. "Hoe bedoel je", vroeg Klaas Vaak nieuwschierig. "Nou, omdat ik een prins ben, moet ik er altijd mooi uitzien," zei Jochem. "Ik krijg elke dag nieuwe, dure kleren aan en mijn haren moeten in een keurige scheiding zitten. En nooit kan ik eens lekker buiten spelen en verstoppertje spelen met andere kinderen. Je mag je als prins nu eenmaal niet vies maken."

"Aha," zei Klaas Vaak, "het is dus niet gemakkelijk om een prins te zijn. Maar misschien kan ik je opvrolijken met een vliegtochtje. Jochem glunderde, dat wilde hij wel. De aardige kabouter hielp Jochem op de rug van de uil. "Hij heet Oehoe Houdoe," zei Klaas Vaak en Jochem zei: "Dag Oehoe Houdoe." De uil had een prachtig dekkleed op zijn rug afgezet met lichtgevende edelstenen. Klaas Vaak ging achter de prins zitten nam de teugels en riep: "Joehoe, we gaan weer naar de bedjes toe." Toen vlogen ze door het open raam naar buiten de donkere nacht in. Een paar machtige vleugelslagen bracht hen tot boven de boomtoppen. Jochem keek de diepte in, hij vond het een beetje eng, maar toch ook fantastisch. Hij zag het kasteel onder zich en zijn prinsen pyjama wapperden in de wind. "Kijk Jochem," zei Klaas Vaak, "dit is een magische zandloper en daar beneden ons staat een huis. Zie je wel?" Jochem knikte. "Houd je vast, daar gaan we." Opeens maakte de uil een duikvlucht naar beneden. Ze scheerden laag over het huis heen en Klaas Vaak strooide uit zijn zandloper wat fijn zand over het dak. "Zo, zand erover!"

"Waar is dat voor?" vroeg het prinsje verbaasd. "Het is slaapzand," antwoordde Klaas Vaak. "De mensen die daar wonen zullen vannacht mooie dromen krijgen. Kijk daar! Weer een huis, daar wonen Job en Emma." Ook nu vloog Oehoe Houdoe laag over het dak zodat Klaas Vaak wat slaapzand kon uitstrooien. "Job en Emma zullen vannacht de mooiste avonturen beleven." zei hij. Nadat ze alle huizen in het bos hadden bestrooit met slaapzand was de zandloper leeg. De uil vloog weer hoger en maakte meer vaart. Even later vlogen ze boven een groot meer. Op een eiland zag Jochem een zandkasteel staan. "Daar woon ik." zei Klaas Vaak. Het kasteel was prachtig verlicht door wel honderd bewegende kleine sterretjes. Maar toen ze dichterbij kwamen, zag Jochem dat het geen sterretjes waren, maar kleine lantaarns die vastgehouden werden door een heleboel kaboutertjes. Ze hadden pyjama's aan en slaapmutjes in allerlei bonte kleuren op hun hoofd. Ze zwaaiden naar de uil met zijn passagiers en Jochem zwaaide terug. "Dat zijn mijn zandkabouters" legde Klaas Vaak uit. "Ze helpen mij met het maken van het slaapzand.



"Joehoe," riep Jochem. "Joehoe," riepen de kabouters terug en met een luid "Oehoe" landde de uil in het gras aan de waterkant. Klaas Vaak en het prinsje sprongen van zijn rug en werden meteen omringd door de lachende zandkabouters. Klaas Vaak zei: "Dit is Jochem, hij komt met jullie spelen." "Hoera! Leuk!" riepen de zandkabouters. En een bijzonder klein kaboutertje dat een veel te grote groene muts droeg nam Jochem meteen bij de hand. "Zullen we verstoppertje doen?" "Nee, laten we 'm eerst het kasteel zien." riep een ander. En temidden van die leuke kereltjes ging Jochem door een poort van zand. Op de binnenplaats van het kasteel was een stel zandkabouters in een grote kring aan het spelen. Met emmertjes water en schepjes maakten ze zandtaartjes, zandkoekjes en kleine kasteeltjes. "Wat knap, wat prachtig," zei Jochem. "Het is niet moeilijk hoor," zei een van hen, "Doe je mee?" Daar hoefde Jochem niet lang over na te denken. Hoe vaak had hij niet verdrietig toegekeken hoe andere kinderen in het zand speelden aan de oevers van de bosmeertjes. Maar hij had nooit mee mogen doen, want hij was nu eenmaal een prins. "Graag," antwoordde hij. Nu zat hij heerlijk te wroeten in het natte zand en hij bouwde een fort met hoge torens. Een houten plankje werd de ophaalbrug.
 

Ondertussen zag hij dat niet alle kabouters aan het spelen waren. Sommige liepen met volle kruiwagentjes het kasteel in en kwamen er even later met een lege kruiwagen weer uit. "Die brengen zand naar Klaas Vaak, zodat hij er slaapzand van kan maken." legt een kabouter uit. "Kom we gaan naar binnen." Jochem ging met een paar zandkabouters naar binnen en zag dat alles van zand was gemaakt. De muren, de honderden trappetjes, de tafels en de stoelen. Ook namen ze een duik in een soort zwembad, dat helemaal vol zat met fijn wit zand. De kleine prins vond het allemaal even prachtig en het kon hem niks schelen dat zijn fluwelen pyjama behoorlijk vies geworden was. En hij was zelf ook niet schoon gebleven. Het zand zat overal, in zijn haar, in zijn oren en tussen zijn tenen.

"Gaan we nu eindelijk verstoppertje doen?" vroeg het kleine kaboutertje met de grote groene muts. "Ik ben 'm, ik tel tot tien." Iedereen stoof weg, ook Jochem, die een trapje af rende en op goed geluk een kamer in schoot. Het stond er vol met vreemde spullen, rare buizen, flessen, potjes en pannetjes. De ruimte werd spookachtig verlicht door een lantaarn die aan het plafond hing. En middenin de kamer lag een enorme berg zand. "Aha, kom je hier ook even kijken?" vroeg Klaas Vaak, die ineens achter hem stond. "Dit is mijn werkkamer, hier gebeurd het allemaal." "Eh, wat gebeurt hier allemaal?" vroeg Jochem, terwijl hij nieuwsgierig rond keek. "Het slaapzand Jochem, het toverzand voor de mooiste dromen." zei Klaas Vaak. Ik ben de enige die de formule weet en de zandkabouters helpen mij met het maken ervan. Toen vloog de deur open. "Gevonden" lachte het ventje met de groene muts. "Kom," zei Klaas Vaak, "ik wil je iets laten zien." Samen beklommen ze de hoogste toren. De zachte zomerwind waaide in Jochems gezicht en ze keken uit over het donkere water van het meer. Klaas Vaak zei: "Kijk eens, hoe mooi de maan schijnt en zie je hoeveel prachtige sterren er aan de hemel staan? De nacht is onze wereld. De zandkabouters en ik, wij houden van de nacht." Het prinsje klom op de muur. "En de nachtdieren zijn onze vrienden," vervolgde Klaas Vaak, "de kleine knaagdiertjes, de motten, de uilen."

Net op dat moment kwam Oehoe Houdoe voorbij vliegen. Hij zweefde geruisloos over het water van het meer. "Ik wou dat ik ook kon vliegen." verzuchtte Jochem. En Klaas Vaak zei: "Wie zegt je dat niet kan? Probeer het maar." Jochem keek hem verbaasd aan. "Niet bang zijn." zei de oude kabouter. "Vlieg maar Jochem, vlieg!" En daar ging het prinsje. Hij sprong van de toren en spreidde zijn armen en zweefde op de wind naar beneden. "Joehoe!" riep hij luid. En met een groot gemak fladderde hij weer een stukje omhoog. Even later vloog hij vlak boven het meer. In het wateroppervlak beneden hem, zag hij zijn eigen spiegelbeeld. Maar het was geen vliegend prinsje dat hij daar zag. Nee, hij was veranderd in een prachtige donkerrode nachtvlinder met fluwelen vleugels. Vrolijk buitelend maakte Jochem de ene salto na de andere en hij bleef zo rond fladderen tot de eerste zonnestralen zich aandienden.

"Jochem, Jochem! Wakker worden. Wat is er toch?" klonk de stem van de koningin. Jochem kwam langzaam overeind en probeerde zijn ogen te openen. De ochtendzon scheen naar binnen. "Je riep wel drie keer 'Joehoe'" zei Jochems moeder, "Je zult wel heerlijk gedroomd hebben. En kijk die slaapoogjes eens, alsof er zand in zit." Het prinsje wreef zijn ogen uit en zei: "Ja, ik heb heel fijn gedroomd." En Klaas Vaak… die was alweer nieuw slaapzand aan het maken om nog veel meer kinderen mooie dromen te bezorgen.