Voorpagina « De gekroonde eend



Marerijk is de 'place to be' als het om sprookjes gaat. Natuurlijk zijn er het Sprookjesbos en de sprookjes en legenden achter attracties als Droomvlucht, Volk van Laaf, Raveleijn en Villa Volta. Ook het Anton Pieckplein huisvest tal van sprookjes, waaronder Holle Bolle Gijs, De Bremer Stadsmuzikanten, de Ganzenhoedster en Zwaan Kleef aan!. Hieronder kun je het verhaal 'de gekroonde eend' lezen.

Het sprookje
Er was eens een klein land dat geregeerd werd door een goede koning. Hij had vier zonen. Stoere knapen die hielden van paardrijden, zwaardvechten en ringsteken. Op hun schilden stond een gouden leeuw afgebeeld met daaronder de woorden:


Slim en dapper,

het zwaard in de hand.

Zij aan zij,

voor ons mooie land.


De koning hield van zijn jongens, die over een paar jaar goede, moedige ridders zouden zijn. Maar hij zag ook dat ze nog veel moesten leren. De koning was al oud en op een dag werd hij ziek. Hij riep zijn oudste zoon bij zich. "Jongen," zo begon de koning, "nu het slechter met me gaat, wordt het tijd dat jij koning wordt. Maar ik vind dat je je eerst moet bewijzen dat je het aankunt. Ik zal je een opdracht voor je verzinnen. Als je die volbrengt, mag je me opvolgen." "Dat is goed vader," zei de zoon. "Wat voor soort opdracht is het?" "Dat weet ik nog niet," antwoordde zijn vader. "Daar zal ik eens goed over nadenken."

De zoon ging de kamer weer uit en zijn vader ging op bed liggen. Plotseling landde er een witte eend op de vensterbank bij het open raam. "Kijk nou eens," zei de koning. "Een eend. Wat kom jij hier doen?" "Ik woon in de kasteelvijver majesteit," antwoordde de eend beleefd, "en ik kom u om hulp vragen." "Oh? Wat is er aan de hand?" vroeg de koning. "Kent u de reus die in de bergen woont? Hij is dol op eendenvlees," vertelde de eend. "Mijn familieleden die in het bergmeer wonen, zijn ten einde raad. De reis heeft al velen van hen opgepeuzeld." "Die reus heeft me al eerder last bezorgd," zei de koning. "Vroeger woonde hij hier in de buurt en stal hij de ene kip, na de andere. Ik heb toen een tovenaar op hem afgestuurd, die hem naar de bergen heeft getoverd. De reus heeft zich hier nooit meer laten zien. Hij is als de dood voor toverkunsten."

"Kan die tovenaar hem niet helemaal wegtoveren?" vroeg de eend. "Nee, de tovenaar is al lang geleden gestorven. Maar ik zal mijn sterkste ridder op de reus afsturen, goed?" "Dank u wel majesteit," kwaakte de eend, "ik hoop dat die hem kan verjagen." Hij groette de koning en vloog van de vensterbank weer terug naar de vijver. De koning riep meteen zijn oudste zoon weer bij zich. "Jongen, ik heb een opdracht voor je. Een gevaarlijke opdracht. Je moet proberen de bergreus te verslaan. Jaag hem het land uit. Als dat je lukt, zal ik je tot koning kronen." "Dat is goed, vader," zei de zoon dapper. "Ik zal mijn beste harnas aandoen en mijn langste zwaard slijpen. Op naar de reus!"

Die volgende dag werd hij uitgezwaaid door zijn drie broers. In een glimmend harnas reed hij als een echte ridder de kasteelpoort uit. Een paar uur later kwam hij aan bij een groot bergmeer. Vanaf de oever liep een kronkelig pad omhoog, dat uitkwam bij een diepe grot in de rotsen. Daar woonde de reus. De ridder gaf zijn paar de sporen en galoppeerde de helling op. Dat was niet slim. De reus hoorde het hoefgetrappel al van verre. Hij verschool zich achter een hoge rots. Zo zag hij de ridder voorbijkomen, die halt hield bij de grot. "Reus kom naar buiten!" riep de ridder. "Ik ben de kroonprins en ik daag je uit voor een tweegevecht!" Hij stak zijn zwaard stoer de hoogte in, maar hij had niet in de gaten dat de reus achter hem stond. In één ruk griste die het zwaard uit de handen van de jongen. De prins schrok zo erg dat hij pardoes van zijn paard viel. De reus pakte hem bij zijn harnas en stopte hem in een groot hok naast de ingang van de grot. "Als je mij wilt verslaan moet je vroeger opstaan, ventje!" lachte de reus met zijn rauwe stem. Hij grijnsde door de tralies naar de doodsbange jongen.

Twee dagen later stuurde de koning zijn drie andere zonen naar de reus toe: "Jullie broer is nog niet terug, ik maak me zorgen. Doe je harnas aan, rijd naar de bergen en kijk wat je kunt doen. Maar wees voorzichtig!" Helaas, de drie ridders maakten precies dezelfde fout als hun broer. Bij het bergmeer aangekomen reden ze met veel lawaai en te veel zelfvertrouwen de berg op. De reus hoorden hen aankomen en verstopte zich weer achter de rots. "Uit naam van de koning! Reus, kom naar buiten!" "Ik ben er al", gromde de reus van heel dichtbij. Hij pakte de drie ridders beet alsof het dwergjes waren en gooiden ze bij hun broer in het hok.




Intussen bracht de witte eend weer een bezoekje aan de koning: "Majesteit, is de reus al verslagen?" "Ik vrees van niet, beste eend. Mijn zonen zijn dapper, maar eh... ik vraag me af of ze al wijs genoeg zijn voor zo'n moeilijke opdracht als deze." "Ik zal ook eens die kant op vliegen," zei de eend. Hij groette de koning en vloog weg in de richting van de bergen. Tegen de avond landde hij op het water van het bergmeer, midden in een groep andere eenden. "O neef, wat ben ik blij je te zien,| kwaakte een grote witte eend. "Het loopt hier volledig uit de hand." "Ja, "zei een andere, gisteren heeft de reus nog twee tantes van je opgegeten. Iedereen is doodsbenauwd en vraagt zich af wie de volgende zal zijn." "Er zijn hier veel witte eenden, hé?" vroeg de kasteeleend. "Nou en of," zei zijn neef, "allemaal familie van je!" "Ik ga naar de reus," zei de kasteeleend toen geheimzinnig. "Ik heb een plannetje, luister..."

De reus kwam de grot uit en bleef stomverbaasd staan. Er zat een witte eend op het hok die hem brutaal aankeek. "Nou, dat ik mooi," lachte de reus. "Ik hoef niet eens meer naar het meer te gaan voor mijn avondmaal. Het eten komt gewoon naar mij toe!" "Nee hoor, mij krijg je nooit te pakken," zei de eend vastberaden. "Je kunt niet vliegen en hoewel ik weet dat je een goede zwemmer bent, durf ik te beweren dat je me zelfs op het meer niet te pakken krijgt." "Haha!" lachte de reus. "Die uitdaging neem ik graag aan." De vier jongens in het hok luisterden intussen gespannen me en hoorden de eend zeggen: "Als het je lukt mij te pakken op het meer, dan mag je me opeten." "Maar lukt het je niet," ging de eend rustig verder, "dan laat je de koningszonen vrij en verlaat je het land." "Afgesproken. Ik neem de uitdaging aan!" antwoordde de reus beslist. "Morgenochtend bij zonsopkomst treffen we elkaar bij het meer!" zei de eend.

De volgende ochtend dobberde de eend al op het meer rond toen de reus aankwam. "Ben je er klaar voor?" lachte hij, terwijl hij het water instapte. "Maak je maar gauw uit de platte voeten, want ik heb honger! Ik tel tot drie en dan kom ik achter je aan. Eén... twee... drie!" Het water spatte wild op toen hij met zijn enorme lijf naar de eend dook. Maar die bleef opvallend kalm en dook onder. Dat verbaasde de reus. Meestal stoven de eenden over het water weg. Hij stopte met zwemmen en riep: "Hé, waar ben je?" "Hier!" riep de eend. Een stukje verder naar rechts was hij opgekomen. Toen schoot hij het riet in, dat in dichte bossen langs de over in het water groeide. De reus snelde erachteraan, maar vond de eend niet. "Waar ben je?" riep hij weer. "Hier!" klonk het en nu was de eend weer links van hem. De reus was boos. "Ik krijg je wel!" schreeuwde hij, maar voordat hij in beweging kon komen, dook de eend weer onder en kwam vrijwel meteen bij het riet weer boven.

"Hier ben ik!" riep hij naar de reus. "Hoe kun je nou overal tegelijk zijn?" brulde de reus wanhopig. De eend dobberde intussen weer op midden op het meer en zei kalm: "Dat kan ik omdat ik een tovereend ben. Je kunt me eenvoudig nooit te pakken krijgen." De reus geloofde het. En van toverkunsten moest hij helemaal niets hebben. Hij was er zo bang voor, dat hij de berg op rende en de koningszonen vrijliet. Meteen vertrok hij uit het land en niemand heeft hem ooit nog teruggezien.

De vier broers kwamen blij bij het meer aan. Daar zat de eend al op hen te wachten. "Fantastisch!" zei de oudste broer. "Je hebt de reus verjaagd. Hoe heb je dat in hemelsnaam voor elkaar gekregen?" "Met hulp van al mijn familieleden," zei de eend. "Laat je maar zien, jongens!" En uit het riet doken een heleboel witte eenden op, die sprekend op elkaar leken. "De reus dacht dat ik overal tegelijk was, maar in werkelijkheid was het steeds een ander familielid dat zich liet zien," legde de eend uit. "We hebben hem goed beetgenomen!"

Diezelfde avond stonden de jongens weer aan het ziekbed van hun vader. Ze vertelden hem in geuren en kleuren hoe de eend de reus had verjaagd. "Ik stel voor dat we de eend tot koning kronen," zei de koning. "Dan hebben we een dappere en slimme leider tot een van jullie er echt aan toe is mij op te volgen." Zo gebeurde het. En de eend... die heeft nog lang over het kleine land geregeerd.

De gekroonde eend in de Efteling
In de Efteling is de gekroonde eend sinds 1960 te vinden op het Anton Pieckplein, tussen Zwaan kleef aan! en restaurant Het Witte Paard. Evenals bij de Stenen Kip, legt ook de Eend eieren, na inworp van (in 2014) 50 eurocent. Het ei is gevuld met een speeltje. Per seizoen kan de inhoud verschillen. De ene keer zijn het vinger poppetjes van Carnaval Festival en de andere keer zijn het oude schildjes of Sprookjesboomfiguurtjes.