Voorpagina « Zwaan, kleef aan!



Het sprookje
Ergens is een klein dorpje, héél hoog in de bergen woonde eens een houthakkersgezin. Ze hadden drie zonen. De jongste zoon werd door iedereen Domoor genoemd, de arme jongen. Overal waar hij kwam riep men hem na "Domoor! Domoor!" Op een dag moest de oudste zoon naar het bos om hout te hakken. De moeder, die haar zoon graag vertroetelde, gaf hem een kakelverse eierkoek mee en een fles heerlijke wijn. In bet bos ontmoette de jongen een oude kabouter. "Oh, edele heer", sprak de kabouter."Ik heb zo'n honger en een vreselijke dorst. Zou u mij alstublieft een slok van uw wijn en een hap van uw eierkoek willen geven?" "Ben je helemaal betoeterd", zei de jongen." Dan heb ik zélf niet genoeg!" En hij nam een gulzige hap van zijn eierkoek. Toen sloeg hij met zijn bijl ferm in een boom. Maar o jee! Bij de derde slag drong de bijl in zijn arm. Kermend strompelde de jongen naar huis. Hij werd nagekeken door de kabouter. Hmm... zou die kabouter hier soms meer van weten?

De volgende dag moest de tweede zoon hout gaan hakken. Ook hij kreeg van moederlief een lekkere koek en een fles wijn mee. Ook hij werd aangesproken door de kabouter. "Een stukje van mijn koek?" antwoordde de jongen." En een slokje van mijn wijn? Puh! Ik zal wel gek wezen! Maak dat je wegkomt, puntmuts" De jongen zette de fles aan zijn mond dronk hem langzaam leeg. Een beetje te stoer door de wijn zwaaide hij met zijn bijl. Tjak! Per ongeluk hakte hij zó in zijn eigen been. Zijn vader, die poolshoogte kwam nemen, moest hem naar huis dragen. Toen was het de beurt aan Domoor. De arme jongen kreeg een oude krentenbol en een fles vies, zure bier mee. Toen bij druk aan het hakken was, verscheen de kabouter. Natuurlijk mocht de kabouter mee-eten!" Je hebt een goed hart", zei de kabouter, smikkelend van de oude krentenbol, "ik zal je belonen. Hak die boom maar om, je zult je beloning daar vinden." Tussen de wortels van de omgehakte boom vond Domoor een zwaan met gouden veren." Ohhh..." stamelde hij. Hij nam de zwaan onder zijn arm en toog naar een herberg om te overnachten.

Nu had de waard van de herberg drie dochters. Ze waren lelijk en onaardig, en vooral heel hebberig. Toen ze de zwaan zagen, wilden ze maar één ding: een gouden veer pikken. ‘s Nachts, toen Domoor sliep, sloop de oudste dochter zijn kamer binnen. Ze greep de zwaan bij zijn staart... Maar wat was dat? Haar hand bleef aan de veren kleven. In paniek probeerde ze zich los te rukken. Daar kwam haar zus Maria binnen. Ook zij hoopte een gouden veer te pakken te krijgen." Doe iets," piepte de oudste dochter." Ik zit vast!" Maria nam haar zus bij de arm. Oh, help! Ook zij zat vast. Ook de derde zus kwam binnen om een gouden veer te bemachtigen. Even later zat ook zij vastgekleefd. De volgende morgen nam Domoor de zwaan onder z'n arm en vertrok. Hij deed net alsof hij de meisjes die aan de zwaan vast zaten, niet zag. Ze moesten dus wel achter hem aanlopen. In het dorp kwamen ze de pastoor tegen." Laat die jongen los, gekke meiden!" riep hij luid. Boos greep hij het jongste meisje bij baar hand en kleefde vast! Ook de koster, twee boeren, een klein schreeuwend jongetje, de wasvrouw en een lelijk keffertje van een hond overkwam hetzelfde lot. Ze kleefden allemaal aan elkaar. Het was dan ook een bonte stoet. Na een poosje kwam de optocht in de stad waar de koning woonde. De koning had een dochter, die zo serieus was, dat ze nooit lachte. Het was een hele zorg. De koning was wanhopig. Daarom had hij bekend gemaakt, dat degene die de prinses aan het lachen kon krijgen, met haar mocht trouwen! "Aha!"zei Domoor en hij sleurde de jammerende sliert naar de prinses. De prinses zat net op het bordes te kniezen. Toen ze de bonte stoet zag moest ze lachen, zo lachen, dat de hele stad verrast opkeek. De prinses lacht! Toen op de gans op hetzelfde moment zijn toverkracht verloor en iedereen achterover tuimelde, kwam ze helemaal niet meer bij! Blij vroeg Domoor om de hand van de prinses.

Maar de koning hield zich niet aan z'n belofte. Hij vond Domoor maar een domoor. Domoor moest eerst maar eens drie onmogelijke opdrachten vervullen, voordat hij de hand van de prinses kreeg. Onmogelijk? Nou, dan kende hij Domoor nog niet. Want met behulp van de kabouter waren die opdrachten zó gepiept. Tja... toen kon de koning niet langer weigeren. Onder klokgelui en gejuich van de bevolking, liep Domoor met zijn bruid naar het altaar. Hij voelde zich de gelukkigste man van de wereld. En de zwaan? Die snaterde er vrolijk op los in de koninklijke hofvijver. En ze leefden nog lang en gelukkig...

Achtergrondinformatie
Dit sprookje is ook wel bekend onder de naam "De Gouden Gans". Ook in de Efteling worden deze namen nogal eens door elkaar gehaald. In een van eerste drukken van de "Sprookjes van Grimm" werd het deel over de tweede zoon afgedaan met 'met de tweede zoon ging het evenzo, alleen slaat hij zich niet in de arm maar in het been.' Gelukkig is dit in latere drukken vervangen door een 'herhaal scène', zoals in sprookjes gebruikelijk is. Het sprookje is overigens niet alleen in Europa bekend. In Azië en Afrika zijn in de sprookjesboeken zijn ook "kleef-aan" verhalen te vinden.