Voorpagina « De put van Vrouw Holle



Vlak voor je het Herautenplein betreed tref je, naast De Kleine Boodschap het huisje aan van vrouw Holle. Voor het huisje zie de put, waar het in dit sprookje allemaal om te doen is. Het sprookje van de Gebroeders Grimm is een van de negen sprookjes waar het Efteling-avontuur in 1952 mee begon. Hieronder het sprookje van De put van vrouw Holle.

Het sprookje
Er was eens een weduwe, die twee dochters had. De één, Rita, was mooi en ijverig, de andere, Mina, lelijk en lui. Maar ze hield van de lelijke en luie, die haar eigen dochter was, veel meer, en de andere moest alle werk doen het huishouden doen zijn. 't Arme meisje moest elke dag op straat zitten bij de waterput en ze moest zoveel spinnen. Hoeveel ze spinde maakte eigenlijk niet uit, want het was altijd te weinig. Door het vele spinnen gebeurde het dat het bloed haar uit de vingers sprong. Nu gebeurde het eens, dat de spoel helemaal bloederig was. Toen bukte ze zich over de putrand en wilde de spoel even afwassen, maar de spoel sprong haar uit de hand en viel naar beneden. Ze wist dat haar stiefmoeder heel boos zal worden als ze zonder spoel terug zal komen. Daarom besloot ze ook maar in de put te springen om de spoel te halen. Ze wist niet wat ze beginnen moest, en in haar angst sprong ze de put in om de spoel te terug te halen.

Ze verloor het bewustzijn, maar toen ze weer wakker werd en weer tot zichzelf kwam, lag ze in een prachtige weide. De zon scheen en er stonden duizenden bloemen. Ze stond op en liep de weide af. Daar kwam ze bij een oven vol met broden, en ze riepen: "Haal ons eruit, haal ons eruit, anders verbrand we. We zijn al lang gaar!" Rita ging erheen en haalde platen vol met de broden uit de oven. Verder wandelde ze; ze kwam bij een boom vol met appelen en de boom riep: "Schud me toch, schud me toch, want de appels zijn allemaal rijp!" Ze schudde de boom zodat de appels vielen alsof het regende, en ze schudde zolang, tot er geen een meer hing, ze legde al de afgevallen appels op een hoop, en toen wandelde ze weer verder. Eindelijk kwam ze bij een klein huisje. Een oude vrouw keek uit het venster, maar die had zulke grote tanden, dat ze er bang van werd, en ze wou weglopen. Maar de oude vrouw riep haar na: "Waarom ben je bang, lieve kind? Blijf bij me. Als jij alle huiswerk wilt doen, zal het je goed gaan. Je moet alleen zorgen, dat je mijn bed goed schudt, zodat de veren vliegen, dan sneeuwt het in de wereld, ik ben vrouw Holle! Hoe heet jij, liefje?” “Rita”, antwoordde ze. Toen de oude vrouw zo vriendelijk tegen haar sprak, vatte het meisje moed, stemde toe en kwam bij haar in dienst. Ze deed alles tot grote tevredenheid en schudde het bed steeds met zoveel geweld, dat de veren als sneeuwvlokken rondvlogen; maar ze had dan ook een goed leven bij haar, geen enkel boos woord en elke dag haar natje en haar droogje.

Ze was al een poos bij vrouw Holle, toen ze triest werd en in het begin zelf niet wist wat er met haar was; eindelijk begreep ze dat het heimwee was; al had ze het hier duizendmaal plezieriger dan thuis, ze verlangde er toch naar terug. Eindelijk zei ze tegen vrouw Holle: "Ik heb een vreselijk verlangen naar huis, en al gaat 't me hier nog zo goed, ik kan niet langer blijven, ik moet naar mijn familie terug." Vrouw Holle sprak: "Ik vind het lief van je, dat je weer naar huis verlangt, en omdat je me zo trouw gediend hebt, zal ik je zelf weer naar boven brengen." Ze nam haar bij de hand en bracht haar bij een grote poort. De poort werd geopend, en toen het meisje daar onder stond, viel er een regen van goud neer, en al 't goud bleef aan haar hangen, zodat ze helemaal met goud was overdekt. "Dat krijg je, omdat je zo ijverig bent geweest," zei vrouw Holle en ze gaf haar ook de spoel terug, die in de put was gevallen. Daarop viel de poort dicht en het meisje was in de bovenwereld, niet ver van haar moeders huis en toen ze in de tuin kwam, zat de haan op de putrand en riep: "Kukeleku, Onze gouden jonkvrouw zien we nu."

Toen ging ze naar binnen naar haar moeder en omdat ze met goud overdekt was, werd ze door haar en haar zuster vriendelijk begroet. Het meisje vertelde alles wat ze ondervonden had, en toen de moeder hoorde, hoe ze tot grote rijkdom was gekomen, wilde ze haar eigen lelijke, luie dochter graag hetzelfde geluk gunnen. Ze moest bij de waterput zitten en spinnen; en om de spoel bloederig te maken, prikte ze zich in haar vinger door met haar hand in de doornhaag te stoten. Toen gooide ze de spoel in de put en sprong er zelf in. Ze kwam, net als de ander, op de mooie weide en volgde hetzelfde pad. Toen ze bij de oven kwam, riep het brood weer: "Haal me eruit, haal me eruit, anders verbrand ik, ik ben al lang gaar." Maar het luie meisje antwoordde: "Denk je dat ik zin heb mijn handen vuil te maken," en ze ging weg. Weldra kwam ze bij de appelboom, die riep: "Schud me toch, schud me toch, wij appels zijn allemaal al rijp!" Maar zij antwoordde: "Dat denk je maar, er zou best een appel op mijn hoofd kunnen vallen!" En daarmee ging ze verder. Toen ze bij het huisje van vrouw Holle kwam, was ze niet bang, want van die grote tanden had ze al gehoord, en ze verhuurde zich meteen. De eerste dag deed ze zichzelf geweld aan en was vlijtig en deed wat vrouw Holle haar zei, want ze dacht aan al het goud dat ze ter beloning zou krijgen, maar de tweede dag begon ze al te luieren, en de derde nog meer: toen wou ze 's morgens niet eens meer opstaan. Ze schudde het bed van vrouw Holle ook niet, zoals het hoorde, en ze schudde zeker niet zo dat de veren vlogen. Dat verdroot vrouw Holle al gauw en ze zei haar de dienst op. De luie was daar best mee tevreden en dacht, nu zal de gouden regen beginnen; vrouw Holle bracht haar bij de poort, maar toen zij daar onder stond, werd er in plaats van goud een grote pan vol pek uitgestort. "Ter beloning van je diensten," zei vrouw Holle en sloot de poort. Zo kwam de luie meid thuis, helemaal vol pek, en de haan zat op de putrand en riep: Kukeleku, Onze zwarte Mina zien we nu!" Het pek bleef aan haar kleven en wilde er haar leven lang niet af!

De put van vrouw Holle in de Efteling
Al sinds het begin van het Sprookjesbos, staat de Put van vrouw Holle in de Efteling. Je vindt de put vlak voor het Herautenplein. De put heeft een doorgezakt dak, wat weer typisch Pieck is. Nooit recht, altijd schots en scheef. In de put is een diaprojectie te zien. Op deze dia's staan tekeningen van Anton Pieck. Het verhaal wordt, net als bij Raponsje, Roodkapje en De Rode Schoentjes, verteld door Wieteke van Dort. In de laatste jaren was van de projectie amper meer iets te zien, doordat de ruitjes smerig waren geworden. Maar met het 50 jarig jubileum in zicht is het hele Sprookjesbos grondig onder handen genomen. Zo ook de Put van vrouw Holle, hier zijn alle ruitjes weer schoon of vervangen zodat het sprookje weer volledig tot zijn recht komt.





Achtergrond informatie
Zoals bij bijna ieder sprookje, is ook hier weer duidelijk het verschil tussen 'goed' en kwaad' te zien. De beide dochters zijn totaal verschillend van aard. Het vreemde is dat de moeder meer houdt van de luie dochter. Als je het sprookje goed bekijkt dan zijn er drie type mensen: luie dochter, ijverige dochter en een rechtspersoon (Vrouw Holle). De moeder van de dochters heeft in dit verhaal eigenlijk geen betekenis. Volgens de aantekeningen van de Gebroeders Grimm is "Het motief van de goede en de slechte zuster dan ook een dankbaar motief en in opvoeding opzicht zeer leerzaam". En dat is natuurlijk ook zo, sprookjes hebben vaak een onderliggende gedachte/boodschap.

In dit verhaal gaan beide dochters hun eigen gang. Rita (zoals de ijverige dochter in de Efteling wordt genoemd) is aan het spinnen. Als haar spoel in het water valt, probeert ze die terug te krijgen. Ze gaat vervolgens voor Vrouw Holle werken. Als ze naar huis wil, wordt ze rijkelijk beloond voor haar inzet. Mina (de luie dochter) is jaloers en doet hetzelfde. Maar doordat ze er met de pet naar gooit wordt ze niet zo beloond als Rita. Hier is Vrouw Holle duidelijk een rechtspersoon, ze geeft een ieder waar hij/zij recht op heeft. De Gebroeders Grimm omschrijven het als volgt: "Vrouw Holle behoort met talrijke andere figuren van het volksgeloof tot de demonische vrouwelijke wezens, die in oorsprong met de onderwereld in verbinding staan. Zij tonen zich zeer verschillend van aard, soms behulpzaam en weldadig, maar soms ook straffend en zelf wreed." Dit is dus duidelijk te zien in de beloning die Mina krijgt.

Sprookjesboek
Bij vrijwel ieder sprookje in het Sprookjesbos staat een groot sprookjesboek, met daarin een korte samenvatting van het verhaal. Het verhaal staat weergegeven in het Nederlands, Engels, Duits en Frans. Hieronder de Nederlandse tekst:

Toen moeder geit boodschappen ging doen, drukte ze haar zeven geitenkinderen op het hart voor niemand de deur van hun huisje open te doen. De boze wolf bedroog de geitjes echter, met de zachte stem van moeder geit, en met haar witte geitenpoten. Zo openden ze toch de deur. De boze wolf slokte de zeven geitjes met huid en haar op. Behalve het jongste, want dat verstopte zich vliegensvlug in de grote, staande wandklok. Ontroostbaar ging moeder geit met haar slimme geitenkind op zoek naar de boze wolf...



Vrouw Holle in het Efteling Museum