Voorpagina « Kabouterdorp



Kabouters, iedereen heeft er wel van gehoord. Ze zijn dan ook onlosmakelijk verbonden met de sprookjes. De Gebroeders Grimm schreven er al over in hun drie verhalen 'kaboutertjes'. Bij het kabouterdorp in de Efteling hoort geen eeuwenoud sprookje. Het verhaal is geschreven door Martine Bijl, waarbij ze uitgegaan is van het Kabouterdorp zoals Anton Pieck het bedacht en getekend heeft. Het is overigens niet het enige sprookje wat Martine Bijl bedacht heeft, het andere sprookje staat aan het einde van het Sprookjesbos, namelijk De Tuinman en de Fakir. Maar op deze pagina het verhaal van 'De gouden stemvork'.

Het sprookje
In de dagen dat alle mensen nog van mooie muziek hielden, en dat is al heel wat jaren geleden, regeerden er een koning en koningin voer een klein, welvarend land. Ze bezaten drie mooie dochters en de koninklijke familie werd door iedereen bemind en bewonderd. De koning hield er een uitgebreide hofhouding op na en omdat hij van gezelligheid hield, was er bijna iedere avond iets aan de hand in het paleis. Nu eens werd er een toneelstuk opgevoerd, waarbij de kok en de koetsier zich ontpopten als voortreffelijke acteurs, dan weer speelde het hoforkest de vrolijkste wijsjes, waarbij de opperstalmeester en de bierbrouwer ijverig de fluit en de vedel hanteerden.

Als er eens een betrekking aan het hof vrij kwam, kwamen er natuurlijk honderden mensen opdraven. De koning stelde echter zulke hoge eisen, dat de meeste gegadigden al snel afvielen. Als je bijvoorbeeld kwam solliciteren naar het baantje van hulpschoenlapper, moest je allereerst een proeve van muzikale of andere artistieke bekwaamheid afleggen. Als je niet minstens een lijster kon imiteren kon je de aanstelling wel vergeten, maar speelde je redelijk tuba of hoorn, dan was je kostje gekocht. Ook al had je geen snars verstand van schoenlappen. De koning zelf speelde prachtig op het orgel. De oudste dochter, die Armande heette, speelde harp en de middelste, wier naam in vergetelheid is geraakt, oefende dagelijks op de draailier. De jongste dochter, die Estrella werd genoemd, was evenwel zo muzikaal als de staart van een speenvarken. Ze kon geen muzieknoot van een bloemkool onderscheiden en als ze in het paleiskoor zong, sloeg de klokkenluider, die tevens koordirigent was, zich kreunend tegen het voorhoofd.

De koning en de koningin hielden veel van hun dochter en ze lieten dan ook nooit merken, dat ze zich zorgen maakten over haar gebrek aan muzikaliteit. Maar na afloop van een groot dansfeest op het paleis, waarbij Estrella tijdens het walsen weer tien keer over haar eigen voeten was gestruikeld, omdat ze de maat niet kon houden, besloot de koning een muziekonderwijzer voor zijn jongste dochter in dienst te nemen. Hij zou zijn minister van Vrolijke Zaken erop uit sturen om een man te zoeken, die zijn dochter minstens het do-re-mi-fa-sol en een paar danspasjes zou kunnen bijbrengen. Misschien was het nog net te laat.

Toen de opdracht hem bereikte, schudde de minister van Vrolijke Zaken treurig het hoofd. Zo'n man was in het hele land niet te vinden, daar was hij zeker van. Maar ja, de koning had het hem opgedragen en als hij minister van Vrolijke Zaken wilde blijven, had hij maar te gehoorzamen. Veel zin om op reis te gaan had hij niet en daarom besloot hij de klokkenluider in zijn plaats te sturen. Daar zou de koning het wel mee eens zijn, dacht hij. De kokkenluider voelde echter onverwacht een hevige verkoudheid opkomen en hij gaf de opdracht door aan de poortwachter, die nog veel minder zin had in een speurtocht naar een man die niet te vinden was. Toen er dan ook een mandenmaker voorbijkwam, drukte de poortwachter hem een zilverdukaat in de hand met de opdracht zo spoedig mogelijk terug te komen met een muziekonderwijzer.

Toen de poortwachter terugkeerde op zijn plaatsje bij de poort, keek de mandenmaker hem verbaasd na. Een muziekonderwijzer? Waar moest hij die vandaan halen? Nou ja, de opdracht kwam van het koninklijk paleis en diende dus dadelijk uitgevoerd te worden. De mandenmaker schudde zijn hoofd en vervolgde zijn weg, nu op zoek naar een muziekonderwijzer voor prinses Estrella.

De volgende dag vroeg de koning aan zijn minister van Vrolijke Zaken, waarom hij nog niet weg was. De minister antwoordde dat hij de klokkenluider had opgedragen een muziekleraar te zoeken, daar kon Zijne Majesteit het toch wel mee eens zijn? "Daar ben ik het helemaal niet mee eens!" riep de koning boos, "de klokkenluider is daartoe niet in staat! U hebt zich aan uw opdracht onttrokken en u bent bij deze ontslagen!" En de minister kon zijn biezen pakken. Via de klokkenluider kwam de koning buiten bij de poortwachter, die hem vertelde dat hij de opdracht aan een toevallig voorbijkomende mandenmaker had doorgegeven. "Een mandenmaker!" riep de koning. En hij hief zijn handen wanhopig ten hemel, want nu had hij er helemáál geen vertrouwen meer in. Bedroefd ging hij naar binnen. Zijn dochter zou voorlopig geen liedje kunnen zingen, dat stond wel vast.

De mandenmaker liep inmiddels van deur tot deur, van dorp tot dorp, op zoek naar een muziekonderwijzer. Hij vroeg de boerinnen op het land of zij zo iemand kenden, maar iedereen schudde zijn hoofd. Slechts één keer vond hij op zijn weg een muziekonderwijzer, maar deze zei dat de jongste koningsdochter zó onmuzikaal was, dat er geen eer aan te behalen viel. Zo zwierf de mandenmaker verder en verder, totdat hij op een warme dag moedeloos en vermoeid neer zonk aan de kant van een smal bospad, waar hij bijna onmiddellijk in slaap viel.

Toen hij zo een poosje had gelegen, werd hij opeens op zijn schouder getikt. Hij opende zijn ogen en keek recht in het ronde gezicht van een vriendelijk kabouter. Z'n baard was pluizig en verward en op z'n hoofd droeg hij een slappe puntmuts. "Goedemiddag, mandenmaker", zei de kabouter. "U bent op zoek naar iemand die in heel het land niet te vinden is. Of heb ik ongelijk?" "Hoe weet u dat?" vroeg de mandenmaker aan de kabouter, terwijl hij zijn ogen uitwreef. "Wij muziekkabouters weten alles. DE minister van Vrolijke Zaken is ontslagen, omdat hem was opgedragen waar u op dit moment mee bezig bent. Uw plichtsgevoel gaat ver uit boven dat van de minister en daarom vinden wij, dat uw trouw aan de koning beloond moet worden. Volgt u mij!" En met die woorden verdween de kabouter tussen de varens.

De mandenmaker begreep niets van het verhaal, maar hij stond op en hij had de grootste moeite de rode muts tussen de varens niet uit het oog te verliezen. Na een poosje kwamen ze op een open plek in het bos. Overal klonken muziekinstrumentjes: trompetjes, viooltjes, klokkenspelletjes, allemaal even hoog en zacht. In een huisje zaten vier muziekkabouters te dommelen bij de tere klanken van een klein klavecimbel, dat in een holle boom stond en bespeeld werd door een magere, maar gelukkig uitziende kabouter. "Nou?" vroeg de eerste kabouter, omhoogziend naar de mandenmaker, "hebt u zoiets al eens eerder gezien of gehoord?" Hij wachtte het antwoord niet af en klapte in zijn handen. Dadelijk verstomde de muziek.

"Jacobertus, breng mij eens een zilveren stemvork. Of nee, breng maar een gouden/ Het is voor een verheven doel." Prompt kwam een geheel in het blauw geklede muziekkabouter aanrennen met een gouden stemvork op een scharlaken kussentje. "Hiermee, sprak de kabouter met een rode puntmuts, terwijl hij de stemvork in de bevende hand van de mandenmaker legde, "zult u de koning weer gelukkig maken. Ga naar het paleis en vraag of u op de eerstvolgende feestavond aanwezig mag zijn. Vind uit, wie de jongste koningsdochter is en sla in haar naaste omgeving met deze stemvork op het eerste 't beste voorwerp wat u tegenkomt. Niet te hard, want kristal kan breken, maar de leuning van een stoel is er bijvoorbeeld heel geschikt voor. Veel geluk!" De mandenmaker kon gaan en toen hij met de stemvork in z'n zak terugkeerde naar het bospad, klonken hem de tonen van de trompetjes en harpjes nog lang in de oren na.

Natuurlijk deed hij zoals hem gezegd was en zonder moeite werd hij toegelaten in het paleis, waar juist weer eens een groot feest gevierd werd. Al spoedig kwam hij erachter wie Estrella, de jongste koningsdochter was. Hij nam plaats op een sofa tegen de muur, dicht bij de plek waar de prinses met een hofdame stond te praten. Het orkest zette een snelle polonaise in. De mandenmaker wist niet of dit het juiste moment was, maar hij gaf de stemvork een ferme tik op de zijleuning van de sofa. Er klonk een heldere toon, die zich vermengde met de klanken van het orkest. En op dat moment rende de jongste koningsdochter naar de eerste de beste zaalwachter, trok hem naar de dansvloer en toen danste zij, zó mooi en sierlijk, dat iedereen bij haar in het niet zonk. De koning en de koningin verhieven zich van hun zetels en keken vol verbazing naar hun kind, dat daar zo onbekommerd draaide en zwierde.

Toen de mandenmaker zijn stemvork ten tweede male liet klinken, liet Estrella de geschrokken zaalwachter los, trippelde naar de kapelmeester en vroeg hem, het orkest de eerste maten van het lief van de Perenbloesem te laten inzetten. Verbijsterd voldeed de kapelmeester aan haar verzoek. En Estrella zong. Ze zong zo zuiver en schoon, dat iedereen al spoedig de tranen van ontroering over z'n wangen voelde biggelen. "Hoe is het mogelijk!" riep de koning telkens weer. Hij wilde van blijdschap op z'n handen gaan lopen, maar hij werd door de koningin tot de orde geroepen. Toen het lied uit was, werd Estrella door haar beide zusters uitbundig op de wangen gekust. Niemand wist wat er met de jongste prinses was gebeurd, en iedereen vroeg zich af wat de oorzaak van deze verheugende verandering kon zijn.

De mandenmaker wist niet goed wat hij verder nog moest doen. Hij was een bescheiden man en hij besloot, nu hij zijn werk met de stemvork had verricht, ongezien het feest te verlaten. Maar halverwege de marmeren trap bleef hij staan. Hij diepte de stemvork uit zijn broekzak en bekeek hem bij het heldere licht van de kristallen kroonluchter in de hal. Wie weet werkte de kracht van de stemvork maar heel even. In dat geval zou Estrella over een poosje weer even beroerd zingen als ze altijd gedaan had. En dan was alle moeite voor niets geweest. Nee, hij moest de stemvork in het paleis achterlaten.

De mandenmaker sprong de trappen weer op en rende de troonzaal binnen. Iedereen keek verschrikt op, toen de eenvoudig geklede man recht op de koning afliep, hem de stemvork voorhield en stamelde: "Dit is'm. Hierdoor komt het dat uw dochter... eh.." Voorzichtig nam de koning de stemvork in zijn handen en met de tranen van ontroering nog in zijn ogen vroeg hij, wat dit alles te betekenen had. En de mandenmaker vertelde zijn verhaal. Over de poortwachter, die hem een zilverdukaat had gegeven met de opdracht een muziekonderwijzer voor Strella te vinden. Over het vruchteloze zoeken. En over de muziekkabouters, die hem ten slotte uit de nood hadden geholpen. Alle aanwezigen luisterden ademloos toe en waren diep onder de indruk. "Laat de bazuinblazers dadelijk aantreden!" riep de koning, toen de mandenmaker was uitgesproken. De bazuinblazers zaten toevallig in het orkest en nadat er enige muzieklessenaars waren om gekletterd, verschenen zijn buigend voor de koning. "Ga uw gang, heren," sprak de koning.

Er klonk een schitterend driestemmig signaal. De koning stond op en sloeg zijn arm om de schouder van de mandenmaker, die stond te trillen als een berkenblaadje in de voorjaarswind. "Ziehier onze nieuwe minister van Vrolijke Zaken!" riep hij. Een luid gejubel brak los. "Leve de nieuwe minister!" juichte iedereen. En het feest werd tot diep in de morgen voortgezet.In de jaren die volgden bleef de minister, naast het uitoefenen van zijn functie, de mooiste manden maken. Als hij weleens de poort uitkwamen om in de stad feestneuzen te gaan kopen, keek de poortwachter een andere kant uit... De koning stuurde de muziekkabouters iedere week een kistje van zijn beste wijn. En Estrella ging zo van de nieuwe minister van Vrolijke Zaken houden, dat zij later met hem trouwde. Maar dát is weer een ander verhaal.

Het kabouterdorp in de Efteling
In 1972 werd het eerste kabouterhuis geopend in het Sprookjesbos. Het huisje met de slapende kabouters kreeg een jaar later gezelschap van de holle kabouterboom met de muziekkabouters uit bovenstaande sprookje naar ontwerp van Anton Pieck. Pas in 1980 werden de paddestoelen van de vissers en het schrijvertje en het kaboutermannetje en wasvrouwtje aan het dorp toegevoegd. Wie bij het schrijvende kaboutertje eens goed zijn ogen de kost geeft ziet op één van de boeken de naam 'T Vendervan' staan. Als je deze letters in een andere volgorde zet krijg je T. van de Ven.

Halverwege de jaren 80 waren de kabouters ook de televisie te zien n de kinderserie 'Flappie de Clown'. Flappie woonde volgens de serie in het voormalige sprookjesmuseum en wilde graag de wijde wereld (Carnaval Festival) intrekken. Hij had echter een probleem, want hij moest ongezien voorbij de kabouters zien te komen. De kabouters moesten ervoor zorgen dat Flappie in het Sprookjesbos bleef. Flappie stond telkens weer voor het dilemma of hij het wel of niet moest proberen om ongezien aan de kabouters voorbij te komen. De zin 'Zal ik het doen, of zal ik het niet doen?' is misschien wel de bekendste zin uit de serie, die in zijn geheel is opgenomen in de Efteling.