Voorpagina « Het bruidskleed van Genoveva



Bijna iedereen die weleens in de Efteling is geweest kent de gekleurde duiven op het Herautenplein wel. Maar velen weten niet dat hier ook een sprookje bij hoort. Hieronder kun je het verhaal lezen van de gekleurde duiven...

Het sprookje
Prins Arthur ging trouwen met de liefste prinses die in al 's Heren landen te vinden was. Ze heette Genoveva en zo mooi als haar naam was, was zij zelf ook. Daarom wilde de prins dat zij een bruidsjapon zou krijgen, zó mooi, dat iedereen er de ogen op zou uitkijken. En al lang voordat de huwelijksdag gekomen was, spraken ze over de kleuren van het kleed, dat de prinses die dag zou dragen. "Kijk," zei de prins, toen ze op een dag liepen te wandelen, en hij wees naar de boterbloemen langs het pad, "kijk, dàt geel moet er in je bruidskleed te zien zijn. En kijk, dat blauw daar, van die korenbloemen." De prinses glimlachte en wees naar de andere kant van de weg. "Dat rood, van die klaprozen," zei ze, "en dat zacht roze van die bloemen langs het water en dat mooie groen van die jonge struiken, daar vóór ons langs de wei." O, ze hadden het zich zó mooi gedroomd, dat het haast niet mogelijk was om het ook ècht zo mooi te maken.

Maar in het land van Prins Arthur woonde een oude vrouw, die nog van haar grootmoeder de kunst van het weven geleerd had en die die kunst zó goed verstond, dat niemand zich met haar kon vergelijken. Ze kon zijde weven alsof het weefsel uit spinrag bestond, zó dun, en ze kon de teerste draden zó kunstig tot patronen weven, dat je bloem en blad er bovenop zag liggen. Alleen zij zou het bruidskleed van de prinses kunnen maken. Prins Arthur reed naar haar toe en hij vertelde haar hoe mooi prinses Genoveva wel was en dat hij voor zijn bruid het allermooiste kleed wilde bestellen, dat de oude weefster óóit had gemaakt. Maar toen hij uitgepraat was bleef het stil. De prins begreep niet waarom, maar toen wees de oude vrouw met haar vinger naar haar ogen en ineens zag de prins het.... zij was blind. Hij zag dat haar ogen het licht verloren hadden. Zij kon er niets meer mee zien, er vielen alleen twee grote tranen uit. "Mijn handen willen wel en kunnen ook wel," zei ze, "en ze willen zéker graag nu het voor Uw lieve bruid zou zijn. Maar... ik kan de kleuren niet meer zien. Alle patronen kan ik nog weven, bloemen en ranken en sterren en vogels daartussen, maar de kleuren kan ik niet meer zien." De prins ging bedroefd terug naar zijn paleis, steeds er denkend, hoe nu zijn bruid het kleed zou krijgen, dat haar sieren zou. En terwijl hij in de tuin van het paleis treurig op en neer liep, boog de oude vrouw zich uit over het venster van haar kleine huisje en strooide wat voer voor de duiven. Dat deed ze jaren lang, iedere dag, en de duiven waren zó tam geworden, dat ze aten uit haar hand.

"Ja kindertjes," zei ze, "ja mijn lieve duifjes, dat ik oud ben geworden is niet zo erg. Dat wordt iedereen. Maar dat mijn ogen niet meer kunnen helpen om het bruidskleed te maken voor onze lieve prinses, dàt gaat mij aan het hart. Binnen staan mijn manden nog vol kostbare wol en zijde maar ik weet niet of ik een rode of een blauwe streng in mijn handen houd. Wat zou ik graag het klepperen van het weefgetouw weer horen. Ik zou er bij zingen en weer gelukkig zijn.

De duiven vlogen terug, naar de boom waarin zij 's nachts sliepen, maar die avond koerden en roekoeden zij nog lang onder elkaar. Zó laat waren zij nog op, dat de uil, die goede vrienden met hen was, vroeg waarom ze zo diep in de nacht nog spektakel maakten. "De nacht is van mij", zei de uil.  "Je bent een nachtvogel of je bent het niet." De duiven vertelden het treurige verhaal van de oude weefster, maar ze waren nog niet uitgekoerd of de uil kraste al vol kwaadheid en begon hun verwijten te doen. "Domoren," zei hij, "jullie, die de hele dag over akker, tuin en weiland vliegen, jullie kennen de kleuren toch wel? Zijn jullie dan te lui om eens wat terug te doen voor alles wat de oude vrouw voor jullie gedaan heeft?" De volgende morgen zat de oude weefster treurig voor haar weefgetouw, terwijl haar hand door de strengen zijde woelde. Ineens kwam er een duif door het open raam gevlogen en streek neer op haar schoot. Hij drukte zijn kopje tegen haar hand en het was net alsof hij haar iets vertellen wou. Vlak bij haar oor hoorde ze een andere duif koeren en toen merkte ze, dat alle duiven in haar kamertje gekomen waren.

"Wist ik nu maar wat groen was", zuchtte ze en meteen voelde ze dat een snaveltje haar een streng tussen de vingers duwde. "Het moet groen zijn", zei de weefster, "precies als het eerste berkengroen in het voorjaar." Toen nam de duif die streng weer weg en legde er een andere voor in de plaats. De weefster voelde hoe het werk tintelde in haar vingers en weldra schoot de spoel vlug heen en weer door de schering die al gespannen stond. "Roze," zei ze, "zoals perzikbloesem." "Blauw, "zei ze, "zoals een vergeet-mij-nietje; geel, zoals het hart van de boterbloem." En het groeide en het groeide op het weefgetouw en de duiven vlogen af en aan, zonder te rusten, de hele dag. En het oude vrouwtje zong erbij en was gelukkig. Omdat er voor de oude weefster geen dag en geen nacht meer bestond, was ze teleurgesteld toen ze 's avonds niet meer verder kon werken, omdat de duiven toen óók de kleuren niet meer konden zien. Maar de volgende morgen gingen ze weer verder en zo vele dagen lang.

Op een goede middag was de laatste draad geweven. Met een zucht van blijdschap zette de oude zich aan haar tafel en schreef een kort briefje aan de prins, dat hij de stof voor het bruidskleed kon komen halen. Eén van de duiven was vroeger postduif geweest en die nam het briefje in zijn snavel en vloog ermee naar het paleis. De prins kwam aanrijden op zijn paard, zo vlug hij maar kon, en hij wist van bewondering niet wat hij zeggen moest. Alle kleuren van àlle bloemen, die zijn bruid en hij gekozen had, lagen daar tezamen, maar mooier nog dan hij ze ooit had gezien. Die sterren en vogels, die sierlijke ranken en bladeren, die prachtige bloemen, het leek wel op het paradijs.Hij omhelsde de oude weefster, maar deze zei: "Roept U de duiven maar aan het venster, want zonder hen had ik nooit dit werk kunnen doen." De prins klapte in zijn handen, maar toen de duiven aan kwamen vliegen, was hij nog meer verbaasd, want er waren duiven in alle kleren van de prachtige stof.

Zó vaak en zó diep hadden zij in de strengen gewoeld om de juiste kleur uit te zoeken, dat ieder van hen er een nieuwe kleur door had gekregen. Gewone duiven zijn grijs of wit of bruin, maar de duiven van de oude weefster droegen àlle kleuren, die je buiten in het veld maar kunt vinden. En als ze vlogen leken ze op bloemen, die door de wind in de lucht waren opgenomen. Zó kun je ze nu zien op "De Efteling" en als je dan je ogen dichtdoet, kun je bedenken hoe mooi het bruidskleed was van Genoveva, de prinses.