Voorpagina « Assepoester



Vraag een willekeurige voorbijganger een vijftal sprookjes op te noemen, grote kans dat Assepoester er tussen zit. En laat dit sprookje in de Efteling nou nooit verder gekomen zijn dan het (sprookjes)museum en Theater. In het oude Sprookjestheater op de Zonneweide (waar tegenwoordig De Vliegende Hollander staat) kwam dit sprookje al voorbij in 'De nieuwe Sprookjesshow'. Echt als een sprookje is het al die jaren nog nooit uitgebeeld in het Sprookjesbos. Maar tijdens de winter 2007-2008 zal het verhaal wel nieuw leven ingeblazen worden in het Theater de Efteling in de musical 'Assepoester'. In 2008 maakt de Efteling bekend dat in 2009 het sprookje van Assepoester in het Sprookjesbos geopend zal worden.

Het sprookje
Er was een een edelman, die voor de tweede maal trouwde met een vrouwe, die zó hooghartig en trotst was, als men nog nooit gezien had. Zij had twee dochters, die haar aard hadden en die in alle opzichten op haar leken. De man van zijn kant had ook een dochtertje, maar dat was van een zachtheid en goedheid zonder voorbeeld. Hierin leek zij op haar moeder, die de liefste vrouw van de wereld was geweest. Nauwelijks de bruiloft achter de rug, of de lelijke aard van de stiefmoeder kwam voor de dag. Zij kon de goede eigenschappen van het kind niet verdragen, want de slechte hoedanigheden van haar dochters kwamen hierdoor des te sterker uit. Zij droeg haar de vuilste werkjes in huis op: zij moest het vaatwerk afwassen, de trappen schrobben en de kamers van mevrouw en van de dames boenen.

Het arme kind verdroeg alles met geduld en durfde zich er bij haar vader niet over te beklagen, omdat deze haar beknord zou hebben, want hij zat al compleet onder de plak van zij vrouw. Wanneer ze klaar was met haar werk ging ze in een hoekje bij de schoorsteen in de as zitten., waardoor ze haar in haar in huis vaak Assebil noemde. De jongste, die iets minder onaardig was dan haar oudere zuster, noemde haar Assepoester. Niettemin zag Assepoester er ondanks haar lelijke kleren honderd maal aardiger uit dan haar zusters, die de meest prachtige kleren droegen.

Eens gebeurde het, dat de zoon van de koning een bal gaf, waarbij alle personen van aanzien werden uitgenodigd. De twee zusters waren ook uitgenodigd, want zij behoorden tot de voornaamsten van het land. Heel voldaan waren ze bezig de mooiste kleren uit de zoeken. Dit gaf Assepoester nog meer werk, want zij moest het linnengoed van de zusters strijken en haar kraagjes plooien. Er werd over niets anders gesproken dan over de wijze waarop zij zich zouden gaan kleden. "Ik", zei de oudste, 'doe mijn rood fluwelen japon aan en diamanten garnituur." 'En ik", zei de jongste, "trek mijn gewone jurk aan, maar daarover trek ik mijn mantel aan, gegarneerd met gouden bloemen. en ik doe mijn prachtige fonkelende diamanten armband om." Met liet de beste hoedenmaker komen om twee hoofddeksels voor de twee te maken en sierde ze ook verder heel mooi op."

Assepoester werk geroepen om raad te geven, want ze had veel smaak. Assepoester deed dat uitstekend en bood zelfs aan te helpen hen te kappen, hetgeen zij wel zo vriendelijk waren aan te nemen. Terwijl ze hiermee bezig was, vroegen de zusters: "Assepoester zou jij het prettig vinden om naar het bal te gaan?" "Och", antwoordde ze, "jullie bespotten me, ik hoor daar niet. Je hebt gelijk, met zou alleen maar lachen als ik naar het bal zou gaan." Een ander dan Assepoester zou de zusters slecht gekapt hebben, maar Assepoester was goed en kapte hen prachtig. Van vreugde konden de zusters bijna twee dagen niet eten. Meer dan twaalf veters braken er, zó strak werd het keurslijf aangehaald.


Eindelijk brak de gelukkige dag aan. De zusters vertrokken en Assepoester keek hen zo lang mogelijk na. Toen ze uit het gezicht verdwenen waren, begon ze te huilen. Haar peetmoeder, die haar in tranen vond, vroeg wat er aan scheelde. "Ik wou zo graag... ik wou zo graag..." Assepoester huilde zo, dat ze niet meer kon praten. Haar peetmoeder, die kon toveren, zei: "Je wilde graag naar het bal gaan, nietwaar?" "Ja", zei Assepoester met een zucht. "Als je goed oppast, dan zal ik ervoor zorgen dat je er ook heen kunt gaan." zei de meetmoeder. Ze nam Assepoester mee naar haar kamer en zei: "Ga naar de tuin en haal me een pompoen." Assepoester ging vlug de mooiste die ze kon vinden plukken en bracht deze naar haar peetmoeder. Maar ze begreep niet hoe deze pompoen haar naar het bal kom laten gaan. Haar peetmoeder holde de vrucht geheel uit, zodat alleen de bast overbleef, raakte doe met haar toverstaf aan waardoor de pompoen in een mooie gouden koets veranderde.

Vervolgens ging zij in de muizenval kijken, waarin ze zes levende muizen vond. Ze zei aan Assepoester het deurtje van de val een beetje op te lichten en elke muis die er uit kwam kreeg een tik met haar toverstaf en veranderde ogenblikkelijk in een vurig paard. Omdat ze niet wist hoe ze aan een koetsier moest komen vroeg Assepoester: "Ik ga eens in de rattenval kijken, of er niet een rat in zit, waar we een koetsier van kunnen maken." "Dat is een goed idee," zei haar peetmoeder, "ga maar eens kijken." De fee nam de rat die de mooiste snor had en nadat ze hem had aangeraakt, veranderde hij in een dikke koetsier met een prachtige snor. Toen vervolgde de fee: "Ga naar de tuin. Je zult er zes hagedissen vinden achter de gieter. Breng die mee." Nauwelijks had Assepoester ze gebracht of haar peetmoeder veranderde ze in zes lakeien waarvan er twee ogenblikkelijk met hun bonte kleren achter op de koets klommen en daar stokstijf bleven staan, alsof ze hun hele leven nog nooit iets anders hadden gedaan. Toen zei de fee tegen Assepoester: "Nu kun je naar het bal gaan. Ben je niet blij?" "Jawel, maar kan ik er wel met mijn lelijke kleren heengaan?" Haar peetmoeder raakte haar slechts even met haar toverstaf aan en tegelijkertijd werken haar kleren veranderd in een japon van goud- en zilverstof, versierd met edelstenen.

Vervolgens gaf ze haar een paar glazen muiltjes, zo mooi als men nog nooit gezien had. Toen ze zo opgetuigd was, stapte ze in de koets. Maar haar peetmoeder drukte haar op het hart vooral niet langer dan tot twaalf uur te blijven, want als ze een ogenblik langer op het al bleef, zou de betovering uitgewerkt zijn. Ze beloofde haar peetmoeder, dat zij ervoor zou zorgen vóór twaalf uur weg te gaan. Toen vertrok ze overgelukkig. De zoon van de koning, wie met gezegd had, dat er een deftige prinses was gekomen, die niemand kende, snelde toe om haar te ontvangen. Bij het uitstappen reikte hij haar de hand en leidde haar naar de zaal, waar de gasten bijeen waren. Er ontstond toen een grote stilte, met hield op met dansen, de violen zwegen. Zoveel aandacht had men voor de schoonheid van deze onbekende. Overal hoorde men fluisteren: "O, wat een mooie prinses." Zelfs de koning jon, hoe oud hij ook was, niet nalaten naar haar te kijken en zachtjes tegen de koningen te zeggen, dat hij in lange tijd niet zo'n mooi en lief meisje had gezien.

Alle dames keken met belangstelling naar haar kapsel en haar kleren, met het plan dadelijk de volgende dag ook zoiets te kopen. Tenminste, als ze zulke mooie stof en even bekwame naaisters konden vinden. De zoon van de koning gaf haar de ereplaats en vroeg haar vervolgens ten dans. Zij danste met zoveel gratie, dat ze nog meer bewonderd werd. Er werd een heerlijk koud maal opgediend, maar de prins was zo in bewondering voor haar, dat hij er niet van at. Zij ging naast haar zusters zitten en bewees hun allerlei beleefdheden. Ze gaf ze mee van de sinaasappelen en de citroenen, die de prins haar had gegeven. De zusters waren hierover zo verbaasd, want ze herkenden haar totaal niet.


Terwijl ze zo aan het praten waren, hoorde Assepoester de klok kwart voor twaalf slaan. Ogenblikkelijk maakte ze een diepe buiging voor het gezelschap en ging zo vlug mogelijk weg. Thuis gekomen ging ze dadelijk naar haar peetmoeder en na haar bedankt te hebben zei ze, dat ze zo graag de volgende dag weer naar het bal wilde gaan, omdat de prins haar daarop genodigd had. Terwijl ze bezig was haar peetmoeder alles te vertellen wat er op het feest was gebeurd, klopten de twee zusters op de deur. Assepoester deed open. "Wat zijn jullie laat", zei ze geeuwend en zich in de ogen wrijvend. Ze strekte zich uit alsof ze zojuist was wakker geworden. Toen ze elkaar hadden verlaten, had ze echter nog niet de minste zin gehad om te gaan slapen. "Als hè op het bal was geweest", zei een van de zusters, "zou je je daar niet verveeld hebben. Er is daar een prinses geweest, zo mooi als met er nog nooit een gezien heeft. "Ze was heel vriendelijk tegen ons en gaf ons zelfs sinaasappelen en citroenen." Assepoester was buiten zichzelf van vreugde. Zij vroeg hoe die prinses heette, maar zij antwoordden dat niemand haar kende en dat de prins aan niets anders dacht en er alles voor over had om te weten te komen wie zij was. Assepoester lachte en zei: "Ze was dus erg mooi? O, o, wat zijn jullie toch bevoorrecht. Zou ik haar ook kunnen zien? Och Jolijntje, leen mij die gele jurk, die je dagelijks draagt." "Ja", zei Jolijntje, "dat kun je denken. Ik zal mijn jurk aan een lelijke Assepoester zoals jij bent lenen. Ik zou wel gek zijn." Assepoester had deze weigering wel verwacht en ze was er blij om, want ze zou in grote verlegenheid geraakt zijn. Zeker als haar zuster haar de had willen lenen.

De volgende dag waren de twee zusters op het bal en Assepoester was er ook, nog mooier uitgedost dan de vorige keer. De prins was voortdurend in haar nabijheid en putte zich uit in het zeggen van vriendelijkheden. De jongedame verveelde zich niet en vergat wat haar peetmoeder haar op het hart had gedrukt, zodat ze de eerste slag van twaalf uur hoorde slaan. Zij stond op en verdween zo vlug als een hinde. De prins volgde haar, maar hij kon haar niet inhalen. Op de trap verloor zij een van haar glazen muiltjes. De prins raapte het op en borg het zorgvuldig weg. Buiten adem kwam ze thuis, zonder koets, zonder lakeien en met haar lelijke kleren. Niets was er over van al haar pracht. Enkel één muiltje dat er zo uitzag als het muiltje dat ze had laten vallen. De prins liet toen de poortwachters vragen of ze ook een prinses hadden zien weggaan. Ze antwoordden dat ze alleen maar een jong meisje gezien hadden dat slordig gekleed was, dat er meer op een boerin leek, dan op een prinses.

Toen de zusters thuis kwamen vroeg Assepoester, of ze zich weer goed vermaakt hadden en of die mooie dame er weer was geweest. Ze zeiden van ja, maar ook dat ze was weggevlucht toen de klok twaalf sloeg. De zusters wisten haar ook te vertellen dat de mooie dame in alle haast een glzen muiltje had laten vallen. Dit schattige muiltje had de prins opgeraapt, tijdens de rest van het bal had hij het voortdurend bekeken en hij leek erg verliefd op de schone prinses, aan wie het muiltje toebehoorde.

Dit bleek waar te zijn, want enige dagen later liet de prins met hoorngeschal bekend maken, dat hij degene die het muiltje past zou trouwen. Men paste het eerst de prinsessen, toen de hertoginnen en verder de hele hofhouding aan, maar tevergeefs. Men bracht het muiltje bij de twee zusters, die al haar best deden het aan te trekken, maar ze konden het niet. Assepoester, die naar ze keek en haar muiltje herkende, zei lachend: "Laat ik het eens proberen of het mij past." Haar zusters begonnen te lachen en bespotten haar. De edelman, die het muiltje liet passen, had Assepoester met aandacht aangekeken en daar hij haar heel mooi vond, zei hij dat dit goed was. Hij had immers de opdracht om alle meisjes het muiltje te laten passen. Hij liet Assepoester gaan zitten en toen hij met het muiltje bij haar voet kwam, zag hij, dat ze er zonder moeite in gleed. De verbazing van de twee zusters was groot, maar werd nog groter toen Assepoester het andere muiltje uit haar zak haalde. Daarop kwam haar peetmoeder binnen, die de kleren van Assepoester met haar stokje aanraakte. Zij werden daardoor nog mooier dan de beide vorige keren. Toen herkenden de twee zusters in haar de mooie prinses, die ze op het bal hadden gezien. Ze vielen op haar knieën en vroegen om vergiffenis voor al het boze dat ze haar hadden aangedaan. Assepoester hielp ze opstaan en zei, terwijl zij ze omhelsde, dat zij dat graag deed. Zij werd voor de prins geleid, in de mooie kleren, die ze nu had. Hij vond haar nu nog liever en na enige dagen trouwde hij met haar. Assepoester, die even goed als mooi was, liet de twee zusters bij zich in het paleis wonen. En ze leefden nog lang en gelukkig.



kasteel van de prins


Assepoester in de Efteling
Het heeft lang geduurd, voordat een van de bekenste sprookjes in het Sprookjesbos verscheen. In het Eftelingmuseum, en voorheen in het Sprookjesmuseum, ligt nog altijd het muiltje van Assepoester, maar veel meer was er tot 2009 niet in de Efteling te vinden. Aan het Herautenplein het statige landhuis van de stieffamilie van Assepoester. Binnen verteld Assepoester haar verhaal, zoals hieronder vermeld staat. De muziek in dit sprookje, is gecomponeerd door René Merkelbach.

Assepoester:
"Het is alweer een poos geleê, maar nooit uit mijn gedachten
Dat wonderen de prins en mij voor even samen brachten
De prins had voor zijn bal genodigd, alle meisjes uit het land
Zo vurig hopend op de ware, die hij vragen kon, haar hand
Mijn stiefzusters, gevoed door hebzucht, waren er als eerste bij
En ik, de huissloof, mocht niet mee; moest poetsen want dát paste mij"

Stiefzussen:

Zijn m'n schoenen al gepoetst?
Nee, de mijne!
Eerst de mijne!
De mijne!
Schiet op, luilak!
We gaan naar het bal!
Ja, we gaan naar 't bal, ja, oho, en de prins ook, hohoho!
Jaaaa!"

Assepoester:
"Toen zij reeds naar het bal toe waren huilde ik bitter op moeder's graf
Een jurk van goud en glazen muiltjes waren wat háár goede geest mij gaf
Haar stem, zo hemels, sprak: 'Ga snel, maar bij het schijnsel van de maan
Voor klokslag twaalven moet je vluchten, is het feest voor jou gedaan.'

Ik bezocht het bal gelijk een dame. Hij vroeg mij ten dans, de prins.
Wij werden daar op slag verliefd. Verlegen blozend, enigzins
Toen plotsklaps, de klok sloeg twaalven, de betovering haast voorbij
Ik vluchtte weg van het bal, naar buiten, snel naar huis. Dag, prins van mij!

Al op mijn vlucht verloor ik daar mijn glazen muiltje bij het kasteel
De prins, hij vond het op het bordes, dit magisch, wonderschoon juweel
Door stad en land ging hij op zoek, naar mij, het meisje van zijn dromen
Slechts mij behoort het muiltje toe. Mijn tijd is nu gekomen!"